Een kwart eeuw na de invasie van mannen in witte en blauwe pakken in de streek tussen de IJsselvallei en het oosten van de Veluwe, is het tijd voor een rationele analyse van wat er feitelijk gebeurde in de eerste maanden van 2001. Ik zat destijds midden in het gebied waar mond – en klauwzeer heerste en schreef als verslaggever van het Deventer Dagblad over de ‘’killing fields’’.
Een medewerker van de Rijksdienst voor Vee en Vlees verscheen op 23 maart 2001 aan het hek van onze boerderij met een brief. Onze varkens en schapen werden verdacht van een besmetting met het virus. Ze zouden op korte termijn worden gedood en vernietigd. Maar eerst kwamen ze bloed afnemen. Een dag of wat later stond de complete ruimingskaravaan voor de deur, inclusief catering en toiletwagens. De eerste die zich meldde, was een man met een schietmasker. De uitslag van het bloedonderzoek hebben we nooit gekregen.
Toen beschouwde ik het als vorm van zinloos staatsgeweld, vrijwel zeker wetende dat de dieren niets mankeerden. Nu zie ik de mkz-uitbraak, die uiteindelijk het leven kostte aan meer dan 200.000 veelal gezonde evenhoevige dieren, vooral als symptoom van een hyperproductief en onhoudbaar veehouderijsysteem, passend in een patroon van voedselschandalen en misstanden. Het was geen drama of ramp die ons en vele anderen overkwam. Het bleek een ingecalculeerd risico.
De verontwaardiging is weggeëbd, de behoefte om – voor zover mogelijk – het ware verhaal te vertellen is alleen maar toegenomen. Waarom was onze veestapel in 2001 niet beschermd tegen het virus? Waarom werden de koeien, schapen, geiten en varkens alsnog gevaccineerd en moesten ze uiteindelijk toch dood en vernietigd, terwijl ze niets mankeerden? Wie of wat gaf daarbij de doorslag?
De Nederlandse overheid bleek in staat de schijn op te houden dat er werd gehandeld volgens de regels van de dierziektebestrijding. De wet- en regelgeving was zowel Europees als nationaal sterk geënt op het economische belang. Om recht te breien wat krom was, zijn er tot in de rechtszaal valse argumenten aangevoerd voor de overkill aan maatregelen. De Tweede Kamer werd vakkundig buitenspel gezet. De verantwoordelijken voor het schandaal gingen zonder verantwoording af te leggen vrijuit. Er kwam geen parlementaire enquête. Het Ministerie van Landbouw had al tijdens de crisis zelf de aanzet gegeven tot een evaluatie. Met een ruim 500 pagina’s tellend rapport moesten we het maar doen.
Uiteraard is dit mijn verhaal. Maar wel gebaseerd op talrijke bronnen. Waarvan ik er één in het bijzonder wil noemen: Verzet en verlangen, het proefschrift van Tjirk van der Ziel. Hij legde in zijn onderzoek naar de mkz-crisis een zeldzame combinatie van fijnzinnigheid, empathie, feitelijkheid en afstandelijkheid aan de dag.
Was de crisis nog ergens goed voor? Ik zou het niet weten, behalve dan dat er sindsdien een paar vegetariërs zijn bij gekomen.
Kan zoiets zich weer voordoen in Nederland? Ja. Zolang de zeer vermogende vee-industriëlen in Nederland met hun wijd vertakte netwerk in de Nederlandse en Europese bestuurslagen hoofdzakelijk vlees, zuivel en eieren blijven produceren voor de Europese en wereldmarkt (exportwaarde in 2024 ruim 20 miljard), kan er een moment komen waarop alles en iedereen moet wijken voor hun belangen. Een moment waarop er weer per decreet zal worden geregeerd.
We zijn er anno 2026 getuige van hoe Trump in de VS per decreet regeert en we verbazen ons. Zou dat hier ook kunnen gebeuren? Voor een antwoord op die vraag hoeven we niet ver terug te gaan in de tijd. Van de ene dag op de andere kunnen burgers in Nederland rechteloos worden gemaakt.
Het was begin deze eeuw: de democratische rechtsorde stond binnen de kortste keren op ‘’uit’’. De wet- en regelgeving ter bestrijding van de besmettelijke dierziekte mond- en klauwzeer ging boven alles. In de gebieden waar de ziekte heerste, zetten militairen wachtposten op bij toegangswegen, vee mocht niet meer worden vervoerd en het openbare leven kwam stil te liggen. We hadden nog een parlement en een vrije pers. Maar niemand was in staat de karavaan die op gang kwam om een virus te bestrijden, tot stilstand te dwingen. Mannen in witte en blauwe pakken voerden vernietigende orders uit.
De vee-industrie had in de jaren daaraan voorafgaand een machtspositie opgebouwd en zich diep genesteld in nationale en Europese bestuurslagen. Subsidies joegen de productie aan. De export van vlees en melk werd heilig verklaard. Boeren klaagden geregeld dat ze te weinig verdienden. Toch wisten ze zich staande te houden. In ons veedichte land was sprake van een hardnekkig mestoverschot, maar daar viel via de politiek telkens wel weer een mouw aan te passen.
In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw waren intensivering, schaalvergroting en kostprijsbeheersing aan de orde van de dag. Economen van de Landbouwuniversiteit in Wageningen deden ondersteunend onderzoek. Zo becijferden ze eind jaren tachtig dat het goedkoper was te stoppen met vaccineren tegen mond-en-klauwzeer. Eens in de zoveel tijd een uitbraak was een stuk voordeliger. En mocht de ziekte toeslaan en moeilijk in te dammen zijn, geen zorgen, dan was er een entstof voor noodvaccinaties. Zo gebeurde het dat er in 1991 een Europees non- vaccinatiebeleid kwam. Preventief inenten was sindsdien verboden.
Nu weten we dat er destijds een enorme misrekening is gemaakt. Toen het eenmaal zo ver was – op 21 maart 2001 deed zich in Nederland de eerste van een reeks uitbraken voor – nam een gelegenheidscoalitie van wetenschappers, bedrijven en belangenbehartigers de macht over. In eerste instantie rond enkele besmettingshaarden en later in het hele gebied tussen Zwolle-Apeldoorn-Deventer – de zogeheten driehoek – kregen houders van zogeheten evenhoevigen te maken met ingrijpende, vrijheidsbeperkende maatregelen.
De sterk op het economische belang geënte wet- en regelgeving (Europees én nationaal) werden zo geïnterpreteerd dat er geen ontkomen aan was. De staat gaf, aangestuurd door de agrolobby, de aanzet tot ‘’stamping out’’. Hetgeen betekende een machtsovername op het boerenerf, met een grove inbreuk op de privacy van dierhouders en een veronachtzaming van hun zorgzaamheid voor de schepping, c.q. verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren tot gevolg. In de zijlijn was daar de inzet van politie en marechaussee om het overheidsoptreden in goede banen te leiden en opstandige burgers in toom te houden.
Op 12 april werd het doodvonnis geveld over al het evenhoevige, gezonde vee in de driehoek, aanwezig op een wirwar aan kleine, middelgrote en grote melkvee-, varkens-, kalver-, geiten- en schapenbedrijven en bij talrijke particulieren. Het ging om onverwacht grote aantallen dieren. In het gebied waren inmiddels 54.000 runderen met behulp van een noodvaccinatie ingeënt om het virus te stoppen. Het vaccin werkte goed, maar ze moesten toch dood.
Landbouwminister Brinkhorst hield de Tweede Kamer voor dat het in leven laten van de dieren op zeer ernstige bezwaren stuitte. ‘’Die bezwaren zijn met name van veterinaire aard’’. (..) ‘’Slechts door de rundveestapel te ruimen, valt te ontkomen aan herhaald vaccineren’’. In Kootwijkerbroek, waar sterk werd getwijfeld of een uitbraak van mkz wel op de juiste manier was vastgesteld, hadden de autoriteiten de grootste moeite om de orde te handhaven. De mobiele eenheid moest eraan te pas komen. Uit het dorp zijn op grond van één vermeende besmetting 60.000 evenhoevige dieren afgevoerd.
Al die tijd heerste er in het getroffen buitengebied een vreemde, adembenemende dreiging van het onbekende. In de media werd gesproken over een oorlog. Wie dieren had, volgde van uur tot uur het nieuws, met een kaart van het gebied op tafel. Op die kaart trokken ook wij zogeheten ruimingscirkels rond besmette bedrijven. Allesoverheersende vraag: ‘’Vallen we erbinnen of erbuiten?’’
Wij woonden destijds op steenworp afstand van de mkz-haarden in Oene en Welsum, in gezelschap van twee varkens en acht schapen, waarvan vijf drachtig. Net als zoveel andere particulieren met een paar dieren, sloegen we alles wat er gebeurde met verbijstering gade. Ook het lot van onze varkens en schapen zou van staatswege worden bezegeld. Ze mankeerden niets. Een advocatenkantoor wees ons verzoek om juridische bijstand af. ‘’Dat is zinloos, mevrouw’’, kreeg ik te horen. ‘’Van de staat wint u het niet’’.
Een medewerker van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees stond eind maart aan het hek van onze boerderij met een brief. Onze dieren waren verdacht verklaard. In de toenmalige Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren artikel 21 en 22 lazen we wat dat betekende. De verdachtverklaring was in feite een bijzondere vorm van onteigening. Als eigenaar van evenhoevige dieren bleken we plotseling rechteloos. We stonden met de rug tegen de muur. Met een bezwaarschrift, zo realiseerden we ons, hou je de karavaan des doods, de invasie van mannen in witte en blauwe pakken, niet tegen.
Ik volgde enkele korte gedingen die door anderen waren aangespannen. De overheid bediende zich tot in de rechtszaal van door wetenschappers, staatsjuristen en agrolobby ingefluisterde dubieuze inzichten en slaagde erin iedereen monddood te maken. Het advocatenkantoor dat ik raadpleegde vanwege hun ervaring met de uitbraak van klassieke varkenspest in 1998, kreeg al gauw gelijk. Een kort geding was niet geschikt voor een gedegen juridische interpretatie van wat de autoriteiten, terzijde gestaan door een landsadvocaat en gezagsgetrouwe virologen, in de rechtszaal te berde brachten.
Sommige opiniemakers brachten zwaar geschut in stelling: dit is ‘’een monsterachtig om zich heen grijpende misdaad’’ (Koos van Zomeren, NRC), dit is een ‘’heksenjacht op het dier’’ (Midas Dekkers, De Groene), ‘’weg met de hele sector’’ (Marcel van Dam, Volkskrant), ‘’de minister moet zich schamen (J.J. Voskuil, Trouw).
Jan Terlouw, destijds lid van de Eerste Kamer voor D66 en eigenaar van een paar koeien en schapen in Twello, maakte de verslaggever van het Reformatorisch Dagblad op 29 maart 2001 deelgenoot van zijn ‘’Kafkaiaanse droom’’ over een ‘’duister bevel’’.
“Vanaf Brusselse burelen lanceert een anoniem Permanent Veterinair Comité, waarvoor wij nooit democratisch hebben gekozen, het duistere bevel dat wij grote aantallen op zich gezonde dieren moeten doden. En wij volgen dat bevel nog op ook, blijkbaar in de lamleggende overtuiging dat verzet tegen zo’n bureaucratische kolos nauwelijks zin heeft. (…) Ik begrijp nog steeds niet op grond van welke juridische wet we verplicht zijn zo te handelen. Om over een zedelijke wet nog maar niet te spreken.”
Terwijl het volk werd misleid door overheidsvoorlichting en de televisie beelden liet zien van angstaanjagende, grote grijpers met dode koeien en van huilende boeren, gaven de geschreven media ruim baan aan tegengeluiden. Die voedden de twijfel dat Europa exact voorschreef hoe Nederland mond-en-klauwzeer moest bestrijden, dat er zoiets zou bestaan als een principieel verbod op noodvaccinaties, dat na noodvaccinatie hoe dan ook de dood volgde. De maatschappelijke weerstand groeide, maar het haalde allemaal weinig uit.
Voordat ik verder ga, eerst de feiten. Omdat het al zo lang geleden is, de bestrijding van een besmettelijke dierziekte talrijke facetten kent en er zeer veel personen en instanties bij betrokken waren. Het volgende is het onthouden waard.
De uitbraken, aantallen dieren
Op een veebedrijf in het Gelderse Oene dat besmette kalveren uit Ierland had geïmporteerd, constateerde een dierenarts op 17 maart 2001 klinische verschijnselen van mond-en-klauwzeer (mkz). Het bleef in eerste instantie bij een ernstige verdenking, maar alle evenhoevige dieren op het bedrijf (geiten én kalveren) werden wel gedood. Op 21 maart 2001 kwam het bericht dat er op een bedrijf in Fortmond (gemeente Olst-Wijhe) mond-en-klauwzeer heerste. Het was het eerste, officiële geval in Nederland sinds 1984. Zes andere besmettingen bij bedrijven waren te herleiden tot de bron in Oene, dat uiteindelijk toch besmet bleek. Op 21 maart werd dat bevestigd.
In totaal raakten gedurende de mkz-crisis 26 bedrijven besmet, overwegend in de zogeheten driehoek, een gebied van zo’n 450 km2 tussen Apeldoorn, Deventer en Zwolle. Daarbuiten werd in Kootwijkerbroek één bedrijf besmet verklaard. Verder deed zich één besmetting voor in het Gelderse Oosterwolde (een dorp tussen Elburg en Kampen), twee in Friesland (Ee, en Anjum). In totaal zijn 271.454 evenhoevige dieren op 2921 bedrijven gedood en vernietigd (varkens, melkkoeien, vleeskoeien, kalveren, schapen, geiten, overige evenhoevigen). Daarvan waren er 200.121 op 1931 bedrijven via noodvaccinaties ingeënt. De overgrote meerderheid van de gedode dieren mankeerde helemaal niets.
Bij bedrijven moet men niet alleen denken aan commerciële veehouderijen. Ook particulieren met een paar schapen, geiten, koeien of varkens zijn voor de overheid een bedrijf en vallen onder de wetten en regels die voor commerciële veehouderijen zijn opgesteld.
Op 26 juni 2001 kwam er een officieel einde aan de mkz-uitbraak in Nederland. Op 19 september 2001 kreeg Nederland weer de mkz-vrij status.
De schade
De bestrijding van mkz was een omvangrijke en kostbare operatie. Het Centraal Planbureau schatte de schade op bijna 1,36 miljard euro. Economen van Wageningen Universiteit kwamen op een lager bedrag uit: ongeveer 500 miljoen euro voor agrarische bedrijven, circa120 miljoen euro voor het Diergezondheidsfonds, ruim 140 miljoen euro voor de overheid en 90 miljoen euro voor de EU. Totaal 850 miljoen euro. De mkz-crisis had een negatief effect op de nationale economie van 0,2%.
Wat is mond- en klauwzeer?
Mond- en klauwzeer is een zeer besmettelijke ziekte, veroorzaakt door een virus waar vooral evenhoevigen (runderen, schapen, geiten, varkens, alpaca’s en herten) gevoelig voor zijn. De dieren krijgen blaren in de mond, aan de hoeven en het uier. Andere symptomen zijn: koorts, gebrek aan eetlust en gewichtsverlies. Slechts een klein percentage van de besmette dieren sterft. Dieren herstellen meestal en bouwen weerstand op.
In het verleden lieten de boeren hun dieren uitzieken. Ze zorgden ervoor dat ze allemaal besmet raakten, zodat ze minder vatbaar waren bij een volgende uitbraak. Vanaf eind jaren zestig van de vorige eeuw kwamen er dankzij een succesvolle inentingscampagne – deelname was verplicht – vrijwel geen uitbraken meer voor. Totdat de Europese lidstaten om economische redenen besloten met inenten te stoppen en het preventief vaccineren zelfs te verbieden. Dat gebeurde op aandringen van de exporteurs van melk en vlees. Nederland had daarbij een belangrijke vinger in de pap. Het vaccinatieverbod werd in 1991 ingevoerd.
Wet- en regelgeving
De Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren bood in 2001 de mogelijkheid om verdachte en zieke dieren te doden. Het preventief doden van dieren op niet-besmette bedrijven was volgens de nationale wetgeving niet verplicht. Uiteindelijk heeft Nederland ervoor gekozen dat wel te doen, aanvankelijk in een cirkel van 1 km rond een besmet bedrijf. Al vrij snel is dat uitgebreid naar 2 km.
De dieren konden verdacht worden verklaard als een ambtenaar redenen had om aan te nemen dat de dieren vatbaar waren voor mkz en in de gelegenheid waren geweest om te worden besmet. Het preventief doden gebeurde op basis van artikel 10 van de Europese richtlijn 90/425/EEG, waarin staat dat een lidstaat bij een uitbraak onmiddellijk de voorgeschreven bestrijdings- of preventiemaatregelen ten uitvoer legt, of elke andere maatregel vaststelt die hij passend acht.
Noodvaccinatie was toegestaan op basis van Richtlijn 85/511/EEG (artikel 13), na toestemming van de Europese Commissie, en indien de ziekte zich op grote schaal dreigde te verspreiden. Andere voorwaarde: de noodvaccinatie moest worden beperkt tot de ziektehaard. En: de wezenlijke belangen van de Gemeenschap mochten door vaccinatie niet in gevaar worden gebracht.
Na de eerste uitbraken ging Nederland op basis van een speciale beschikking van de Europese Commissie over tot noodvaccinaties in de regio Oene. Daardoor konden de dieren rond de besmette bedrijven ‘’gefaseerd’’ worden gedood. Op 3 april 2001 gaf het Permanent Veterinair Comité in Brussel een positief advies aan de Europese Commissie over uitbreiding van het noodvaccinatieprogramma tot de zogeheten driehoek Apeldoorn-Zwolle-Deventer. Daarmee werd indirect het doodvonnis geveld over 54.000 runderen. Het Permanent Veterinair Comité, bestond destijds uit Chief Veterinary Officers (CVO’s) van de lidstaten. In 2002 is het opgegaan in Standing Committee on the Food Chain and Animal Health.
In de schijnwerpers:
Landbouwminister Laurens Jan Brinkhorst
Eurocommissaris David Byrne
Voorzitter van LTO Nederland Gerard Doornbos
Achter de schermen:
Chief Veterinary Officer van het Ministerie van Landbouw en lid van het Permanent Veterinair Comité (spil in het web), vertegenwoordigers van de vlees- en zuivelindustrie, de mkz-staf van het ministerie van LNV onder leiding van Tjibbe Joustra, medewerkers van de OIE (Office International des Epizooties, een organisatie waarbij zich destijds 158 landen hadden aangesloten, waaronder alle Europese lidstaten. Deze organisatie bepaalde of een land vrij is van een dierziekte.
Relevante plaatsen:
Brussel: hoofdstad van België en hoofdkwartier van de Europese Unie, zetel van Europese instellingen. In dit boek wordt Brussel vaak gebruikt als begrip dat staat voor het centrum van de Europese macht. In Brussel bevindt zich ook het hoofdkantoor van Copa Cogeca, een organisatie die de belangen vertegenwoordigt van de boeren in Europa en de landbouwcoöperaties.
Lelystad: plaats waar het onderzoeksinstituut was gevestigd van wat in 2001 ID-Lelystad heette. Tegenwoordig heet het instituut Wageningen Bioveterinary Research.
Stroe: plaats van het landelijke mkz-crisiscentrum.
Driehoek: gebied van circa 450 km2 tussen Apeldoorn, Deventer en Zwolle (noordelijke Veluwe en het aangrenzende IJsseldal) waar zich 23 van de 26 besmettingen hebben voorgedaan. Daar zijn alle, niet alleen besmette maar ook gevaccineerde evenhoevigen gedood en vernietigd.
Hoe kun je zo maar als burger van het ene moment op het andere niets meer te vertellen hebben? Verbazing, verbijstering alom. Wat gebeurt hier? Hoe is het mogelijk dat de overheid decreten uitvaardigt en ambtenaren op pad stuurt om gezonde dieren eerst ‘’verdacht’’ te verklaren en ze daarna te doden en te vernietigen? En hoe kan het dat, zoals na enkele uitbraken gebeurde, gezonde dieren bij wijze van noodmaatregel eerst een vaccin krijgen toegediend om ze vervolgens alsnog te doden?
Ik ging kort nadat we als hobbymatige houders van landbouwhuisdieren bijeen waren gekomen voor de oprichting van een belangenvereniging *), op zoek naar de achtergronden van de plotselinge, bizarre wending in onze idylle op het platteland. Toen de tragedie ten einde was, werden we door het ministerie van LNV uitgenodigd voor een evaluatie. De regionale bijeenkomsten waaraan we deelnamen, waren interessante ontmoetingspunten voor lotgenoten.
Ook sprak ik destijds uitvoerig met Tjirk van der Ziel, student aan Wageningen Universiteit, bezig met een promotieonderzoek. ‘’De overheid roofde de driehoek leeg’’, vatte Van der Ziel de strooptocht van de staat samen. In een interview op 29 november 2003 met het Deventer Dagblad zei hij, terugblikkend: ‘’We waren het allereerste land in Europa dat vaccinatie afschafte. We hoefden dat niet, we wilden dat zelf.’’
Van der Ziel verwees naar handelsdeals die voorafgaand aan de mkz-uitbraak waren gesloten. Onder meer over de afzet van kalfsvlees van de VanDrie Group naar Japan. Die deals zouden een belangrijke druk hebben gezet op maatregelen om Nederland weer zo snel mogelijk mkz-vrij te krijgen. ‘’We hebben ons te veel laten leiden door mogelijke afzetmarkten buiten Europa’’, stelde de Wageningse onderzoeker vast. ‘’Terwijl achteraf is gebleken dat onze export naar landen als Amerika, Japan, Korea heel gering is. Die extra export is nooit van de grond gekomen.’’
Nu, een kwart eeuw later, lees ik het allemaal terug. Om mij heen ordners vol met knipsels, herinneringen aan en beschrijvingen van een periode die stijf stond van de emoties. Een klein berichtje in het Reformatorisch Dagblad van 18 april 2001 springt eruit. De producent en exporteur van kalfsvlees VanDrie Group vroeg enkele dagen voor de laatste uitbraak in Wijhe om steun van de overheid. ‘’De gotspe’’, denk ik.
Ik probeer grip te krijgen op het proces, de besluitvorming. Zonder uiteraard de trauma’s te negeren. Nog altijd hebben houders van dieren die hun koeien, varkens en schapen moesten afstaan, daar last van. Ze voelen een steen in de maag als ze terugdenken aan de gebeurtenissen in het voorjaar van 2001. Dat geldt voor de commerciële veehouders die hun vee verloren, voor de talrijke hobbymatige houders van runderen, varkens, schapen en geiten die niet snapten waarom de staat hun dieren kwam doden, en voor de herders die hun kudde met schapen van zeldzame rassen kwijt raakten.
Het kost weinig moeite om alle emoties weer naar boven te laten komen. Analyseren helpt om het hoofd koel te houden. En om vast te stellen dat er zich zowel een niet eerder vertoond schandaal in de voedselketen heeft voorgedaan, als ook een kortstondige periode van een groot democratisch tekort.
Ik leg mijn inzichten op basis van een grote hoeveelheid bronnen naast de evaluatie die het Ministerie van LNV al in 2001 ten tijde van de crisis en kort daarna liet uitvoeren door de B&A groep (Beleidsonderzoek & Advies, gevestigd in Den Haag). De verschillen zijn groot. Toch is de evaluatie ook nu weer lezenswaard. Al is het maar als context voor hetgeen destijds niet gezegd mocht worden. Het was immers een periode vol verdraaide feiten, halve waarheden, regelrechte leugens. Het regeren per decreet ging gepaard met een hoop desinformatie. Geen woord daarover in het evaluatierapport dat op 15 maart 2002 verscheen. Dat valt op.
*) De Nederlandse Belangenvereniging van Hobbydierhouders is 2001 opgericht in Welsum. De vereniging heeft door deel te nemen aan ontelbare overleggen geijverd voor uitzonderingen van hobbymatig gehouden landbouwhuisdieren in de wet- en regelgeving, onder meer op het gebied van dierziektebestrijding. Dat heeft geleid tot een aanpassing van draaiboeken voor mond-en-klauwzeer, klassieke varkenspest en vogelgriep. De vereniging hield in 2020 op te bestaan.
Het hoeft niemand te verbazen dat de aanpak van de dierziekte mkz door het Ministerie van Landbouw in het evaluatierapport van B&A een genuanceerd oordeel krijgt. De opdrachtgever was namelijk datzelfde Ministerie van Landbouw.
B&A stelt vast dat de bestrijding van het virus succesvol was, de maatregelen waren effectief. Zeker: de uitvoering was niet altijd even zorgvuldig, het mankeerde ook nog wel aan een goede communicatie en voorlichting, hetgeen bijdroeg aan maatschappelijke weerstand. B&A spreekt zelfs over een maatschappelijke crisis. Maar over het geheel genomen is de kritiek mild. Nergens komen de misleiding over vaccinatie, de desinformatie over de rol van Brussel en de ware reden van de massale ruimingen aan bod, noch de vraag of die ruimingen gerechtvaardigd waren. B&A constateert, kort samengevat, dat aan de juridische grondslag van de maatregelen niet hoefde te worden getwijfeld.
Lag het behalve aan de opdrachtgever, ook aan degenen die de evaluatie uitvoerden? Er was nogal wat gedoe over. Aanvankelijk zou de Leidse bestuurskundige professor Uri Rosenthal met zijn Crisis Onderzoek Team Universiteit Leiden (COT) de evaluatie uitvoeren. De media stelden daar vragen over. Rosenthal was als crisisadviseur van het Ministerie van Landbouw immers niet onafhankelijk. ‘’Wij zien dat probleem en zoeken een oplossing. Zo schakelen we voor de evaluatie van de mkz-crisis geen medewerkers in die betrokken zijn geweest bij eerdere opdrachten voor Landbouw. Mogelijk moeten we twee aparte divisies maken’’, zei Rosenthal tegen NRC.
De opdracht viel uiteindelijk ten deel aan de B&A groep uit Den Haag (de B staat voor Beleidsonderzoek, de A voor Advies), een in 1991 opgericht adviesbureau voor publieke en maatschappelijke organisaties. De groep ging voortvarend te werk. In maart 2002 verscheen Mkz 2001, De evaluatie van een crisis, ruim 500 pagina’s dik. Nederland was door het oog van de naald gekropen, aldus B&A. De schaal van de verspreiding van het mkz-virus was dankzij de getroffen maatregelen beperkt gebleven. Maar het was kantje boord. Bij een grotere uitbraak waren de grenzen van de maatschappelijke acceptatie wellicht in zicht gekomen.
We hadden als direct betrokken hobbymatige houders van landbouwhuisdieren destijds een leesgroepje. In feite was het B&A rapport voor ons een eerste, gebrekkige reconstructie van wat ons was overkomen. Enigszins hersteld van alle gebeurtenissen, lazen we erin op welke gronden onze dieren waren gedood. In mijn exemplaar van het rapport zitten nog de aantekeningen van één van de leden van het leesgroepje, Judith van Eijk, destijds woonachtig in Veessen en eigenaar van een paar dwerggeiten. Haar dieren waren net als de onze gezond, maar werden desondanks gedood.
Ze oordeelde scherp over het regeren per decreet. Die term was volgens haar van toepassing op besluiten gebaseerd op de Nederlandse Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Deze bood immers de Nederlandse overheid de mogelijkheid om zeer ingrijpende beslissingen te nemen via algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Die hoefden niet eens voor advies naar de Raad van State, noch in de Staatscourant te worden gepubliceerd. ‘’Terwijl het gaat om maatregelen die leiden tot volledige rechteloosheid!!’’
Verbazing ook over het antwoord van B&A op de vraag of het Ministerie van LNV niet te ver was gegaan. Tijdens één van de rechtszaken was er discussie ontstaan over de speelruimte die de Nederlandse overheid had om strenger te zijn dan wat de Europese richtlijn voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer voorschreef. En dus om grote gebieden als potentieel besmet te verklaren, om over te gaan tot noodvaccinatie en vervolgens de gevaccineerde dieren te doden en te vernietigen. LNV vond dat die speelruimte er was. B&A noemde dit standpunt ‘’plausibel’’. Als dat zo is, oordeelde Judith van Eijk, en B&A hanteert dat als uitgangspunt, dan zou er ook een evaluatie moeten komen voor het geval dat uitgangspunt niet plausibel was. Helaas voor Judith en vele anderen: die evaluatie kwam er niet.
Het waren essentiële vragen die velen bezighielden: moesten er op grote schaal gezonde dieren worden gedood? Moest dat van ”Brussel”? Of was dat minder strak geregeld dan door de Nederlandse overheid werd gesuggereerd?
Nu, jaren later, leg ik de evaluatie van B&A naast het rapport van de tijdelijke commissie mond-en-klauwzeer van het Europees Parlement. Via Joseph Coolegem, medewerker van het Europees Parlement, kreeg ik in juli 2002 – een jaar nadat de mkz-crisis in Nederland ten einde was – inzage in de verslagen van deze tijdelijke commissie. Wolfgang Kreissl-Dörfler was de rapporteur. Hij stelde een stuk op over de bestrijding van mkz in het Verenigd Koninkrijk en in Nederland.
In het rapport staat dat inenting tegen mkz sinds 1992 was verboden. Hetgeen betekent, aldus de rapporteur, dat er in principe een non-vaccinatiebeleid wordt gevolgd. Noodvaccinaties waren echter niet uitgesloten. Voorwaarden en gevolgen waren door de OIE echter ontoereikend vastgelegd, constateerde hij. Zo golden er veel te lange termijnen voor het opnieuw verkrijgen van een voor de handel zo belangrijke mkz-vrij status, stelde hij vast. Er was ook geen rekening gehouden met de laatste wetenschappelijke stand van zaken met betrekking tot tests waarmee een onderscheid kon worden gemaakt tussen gevaccineerde en besmette dieren.
Uit het stuk blijkt overduidelijk dat noodvaccinaties mochten worden toegepast bij wijze van uitzondering, op verzoek van een lidstaat en in geval van een massale uitbraak. Letterlijk:
‘’De massale ruiming van dieren en de daarop volgende vernietiging van het vlees zijn in ethisch opzicht alleen door bijzondere sociaaleconomische redenen te rechtvaardigen. Desbetreffende beslissingen moeten transparant zijn.
‘’De veterinairrechtelijke (en door handelsoverwegingen ingegeven) doelstelling om de epidemie zo snel mogelijk uit te roeien bij een zo klein mogelijk aantal ruimingen, mag niet inhouden dat principieel van vaccinaties wordt afgezien en moet steeds worden afgewogen tegen andere politieke doelstellingen.
‘’De vaccinatiebeslissing is geen wetenschappelijke, maar een politieke beslissing en hangt ervan af met welke omstandigheden en belangen rekening wordt gehouden en wat de prioritaire doelstellingen bij de bestrijding van de epidemie zijn.’’
De rapporteur signaleerde voorts dat de Nederlandse aanpak (het virus zo snel mogelijk uitroeien om terug te keren naar de status mkz-vrij zonder vaccinatie) leidde tot aanzienlijke sociale en psychologische gevolgen voor de plattelandsbevolking. ‘’Die werden door de regering op de koop toegenomen.’’
Het stuk van de rapporteur is relevanter en informatiever dan de evaluatie van B&A, die enkele maanden eerder was verschenen. Hoewel B&A erkende dat er Europees gezien geen verplichting was gevaccineerde dieren te vernietigen en dat Nederland uiteindelijk zelf die beslissing nam, werd de verantwoordelijkheid voor deze beslissing toch bij de EU gelegd. De rapporteur van de tijdelijke commissie is veel genuanceerder door te wijzen op de verantwoordelijkheid en de eigen afweging van de lidstaten.
Opmerkelijk zijn ook de opmerkingen van de rapporteur over vaccins. In zijn rapport staat dat de beschikbare vaccins het mogelijk maken gevaccineerde dieren van besmette dieren te onderscheiden. Het risico van overdracht door dieren die zonder symptomen drager zijn van het virus, ‘’is volgens vele deskundigen uiterst gering’’. Deze mogelijke verspreiding van virus door zogeheten carrier-dieren werd door de verdedigers van het Nederlandse bestrijdingsbeleid nogal eens aangevoerd als argument voor het doden van alle runderen in besmet gebied.
In tegenstelling tot de rapporteur, focuste B&A zich in de evaluatie sterk op de veterinaire kant van de crisis: er was een virus dat bestreden moest worden en dat is dankzij daadkrachtig, doelmatig en doeltreffend optreden van het Ministerie van LNV gelukt. Het laten prevaleren van handelsbelangen en hoe die zijn afgewogen tegen
andere belangen, blijft in het B&A rapport echter onbesproken. Er was volgens B&A keurig gehandeld:
‘’LNV beschikte over een maatregelenpakket op basis van het non-vaccinatiebeleid, opgesteld in samenspraak met het bedrijfsleven, afgestemd met de EU en voorgelegd aan de TK.‘’
Ten tijde van de crisis was slechts in zeer beperkte kring precies bekend, wat wel en niet mocht van ”Brussel” en over welke beleidsruimte Nederland kon beschikken. Of de beleidsruimte waarover men zei te beschikken wel overeen kwam met de werkelijke beleidsruimte, wat het verschil was tussen willen en kunnen en welke krachten daarop van invloed waren – dat was lang niet voor iedereen even duidelijk. Er heerste veel onwetendheid en dat kwam degenen die de beslissingen namen, eigenlijk wel goed uit.
Wie de krant las, kon zich – ondanks de beperkte informatie van overheidszijde – toch een aardig beeld vormen. Er verschenen geregeld artikelen van deskundigen met een heel pallet aan ervaringen, opvattingen en kennis van zaken. Op 23 april 2001 was veearts Henk Vaarkamp aan de beurt om in Trouw een boekje open te doen over het (non)vaccinatiebeleid. Hij noemde Europa een ‘’rattencircuit’’. Daar geldt: ‘’Onze strop is andermans winst.’’ ‘’Op dit moment’’, schreef Vaarkamp een dag nadat de laatste besmetting in Nederland was vastgesteld, ‘’verdienen mensen grof geld aan onze ellende. Allerlei buitenlanders die nu vlees afzetten op markten waar wij normaal waren. De Belgen, de Fransen, ze zijn allemaal blij, want wij zijn uitgeschakeld. Vaarkamp zette nog een tandje bij:
”Ik zie al dat leed en denk, zijn we nu helemaal gek geworden? Kunnen we de zaak misschien iets breder trekken dan rekensommetjes en handelsbelangen? (…) Het is een stuitend verschijnsel dat je op grote schaal en in groten getale zoveel moorden moet begaan.’’
Zijn gepeperde uitspraken werden hem niet zwaar aangerekend. Vaarkamp zou later voorzitter worden van de Raad voor Dieren Aangelegenheden (RDA). Hij was degene die dit adviesorgaan voor de Minister van Landbouw, tot dan toe vooral bevolkt door vertegenwoordigers van gevestigde agrarische belangen, openbrak en mensen van buiten toeliet. Ook ik werd verzocht toe te treden tot dit gezelschap.
Kort na de mkz-uitbraak maakte ik kennis met Harry Paul (directeur Voedings- en Veterinaire Aangelegenheden bij het Ministerie van LNV) en Chris Kalden (secretaris generaal van het Ministerie van LNV). De twee topambtenaren waren op dat moment vooral overtuigd van de effectiviteit van het overheidsoptreden. Het virus was bestreden. De overheid had geen andere keus dan al die evenhoevigen te doden. Stel dat er anders was gehandeld, de crisis zou verschrikkelijk uit de hand zijn gelopen, was het allesoverheersende idee.
In februari 2003 wees Paul, uitgenodigd op een bijeenkomst van hobbydierhouders, nog altijd met de beschuldigende vinger naar Europa: ‘’Vele regels in Nederland zijn ontleend aan regels die in Brussel worden opgesteld. Dit geldt met name op het gebied van dierziektebestrijding. Lidstaten hebben geen enkele ruimte om hier soepel mee om te gaan.’’
Dat het dictaat van Brussel van Nederlandse makelij was, liet hij onvermeld. Dat talrijke dieren die geen enkel veterinair risico vormden, volkomen nutteloos de dood waren ingejaagd en dat ze van Brussel best hadden mogen blijven leven, paste ook toen nog niet in het overheidsframe. Het was kennelijk te vroeg voor een andere kijk op de Nederlandse mkz-aanpak.
Ook Chris Kalden was in de jaren kort na de crisis nog niet zo ver. ‘’Er zijn bindende internationale afspraken. Dan kun je wel net doen alsof dat niet zo is, maar dan hou je jezelf voor de gek’’, zei hij in een interview met het tijdschrift voor hobbydierhouders Levende Have. Dat die zogenaamde bindende internationale afspraken een duidelijke Nederlandse signatuur hadden en dienden om maatregelen te rechtvaardigen met als voornaamste doel de export vanuit de Nederlandse en Europese vee-industrie in de benen te houden – om die hete brei werd nog lang heen gedraaid.
Op het Ministerie van LNV overheerste de trots dat Nederland na de Verenigde Staten de tweede grote landbouwexporteur van de wereld was en kon blijven. Daarbij hoorde een overheid bij die snel en effectief optrad tegen een ontregelende dierziekte. Anders dreigde er een rampscenario voor de exporteurs van vee, vlees en zuivel. Had het CPB niet gewaarschuwd voor een strop van 6,5 miljard gulden?
Hoewel de ware redenen voor de ruimingen al tijdens de crisis mondjesmaat doordrongen, kwam pas na enkele jaren de openlijke erkenning dat het op grote schaal doden en vernietigen van vee veterinair en maatschappelijk gezien een doldrieste methode was om een dierziekte te bestrijden. Een methode bovendien die nogal wat psychische schade had aangericht. Het rapport Veerkracht van Alterra uit 2002 sprak over een ‘’ernstige’’ en ‘’traumatische situatie’’. Niet alleen boeren, ook burgers waren na de massale slachtpartij in een toestand van wanhoop, vertwijfeling en onbegrip achtergelaten.
Kalden voerde in het Deventer Dagblad van 3 januari 2004 de ontwikkeling van een markervaccin aan als aanleiding om een ‘’nieuw’’ beleid neer te zetten. Er begon kennelijk toch iets te knagen. Maar het was tegelijkertijd een merkwaardige bekendmaking. Alsof een vaccin ineens een doorbraak teweeg zou kunnen brengen, waarna de hele Europese en Nederlandse vee-industrie en vleeshandel van koers zou veranderen. Hij kwam er bovendien rijkelijk laat mee. Al op 4 september 2001 antwoordde EU-commissaris Byrne, tijdens de crisis een van de grootste tegenstanders van (nood)vaccinatie, op vragen vanuit het Europees Parlement dat er al sinds 1994 miljoenen gingen naar projecten voor onderzoek naar tests, waarmee bestaande vaccins dienst konden doen als markervaccin.
In 2001 wás er een vaccin. En er wás een test waarmee onderscheid kon worden gemaakt tussen gevaccineerde en besmette dieren.
Er wás ten tijde van de mkz-crisis een vaccin dat met behulp van een test ingezet kon worden als markervaccin. Dagblad Het Parool publiceerde op 22 maart 2001 – het virus was nog maar net in Nederland opgedoken – een open brief van Willem Schaftenaar (hoofd veterinaire dienst van Diergaarde Blijdorp), onder de kop: ‘’Als dierenarts schaam ik mij’’. ‘’Er is een vaccin. Proeven hebben aangetoond dat gevaccineerde dieren het virus niet meer overdragen aan niet-gevaccineerde, gevoelige dieren’’. Dit was het moment voor Nederland om voor te gaan in Europa, aldus Schaftenaar:
‘’Ik roep ieder weldenkend mens die verantwoordelijkheid draagt in de besluitvorming – beleidsmatig of politiek – op om te pleiten voor een verantwoord vaccinatiebeleid voor die veeziekten waartegen een beschermend vaccin bestaat en daarmee een voorbeeld van beschaving te stellen voor de overige landen van de Europese Unie.‘’
Over de vaccins en de ontwikkeling van een test verschenen tijdens de mkz-crisis in Nederland niettemin tegenstrijdige berichten. Feit was dat het Britse Pirbright laboratorium in 2000 na aanbevelingen van de Europese Commissie voor de controle op mond-en-klauwzeer een test had ontwikkeld, waarmee simpel gezegd een onderscheid kon worden gemaakt tussen een besmette en een gevaccineerde koe.
Omdat één van de argumenten tegen vaccinatie ten tijde van de mkz-crisis was dat landen geen vlees wilden van ingeënte dieren, omdat ze niet konden zien of de dieren ziek waren geweest, dan wel gevaccineerd, kwam het nieuws over de tests in maart 2001 voor de anti-vaccinisten van die tijd uiterst ongelegen. In de Volkskrant verscheen in april onder de kop ‘’Verdacht vaccin’’ een artikel dat de betrouwbaarheid van de tests in twijfel trok. Het was Nico Visser, viroloog van vaccinfabrikant Intervet, die uitlegde dat een test alleen op groepsniveau iets kon zeggen over de aanwezigheid van antistoffen en de herkomst daarvan: besmetting of vaccinatie.
Overigens waren zijn uitlatingen niet echt een domper voor de talrijke pro-vaccinisten. Volgens Visser kon aan de slachtlijn heel goed 20 tot 40% van de geslachte dieren op mkz worden gecontroleerd. Dat zou wel degelijk een betrouwbaar beeld geven van een eventuele besmetting en op basis daarvan zou een land virusvrij kunnen worden verklaard. ‘’Of de Amerikanen en Japanners dat voldoende vinden, is vervolgens meer een kwestie van handelspolitiek dan van technisch-virologische onzekerheden,’’ voegde hij eraan toe.
Restte nog de vraag of gevaccineerde dieren het virus konden doorgeven. Gepensioneerd viroloog en internationaal erkend mkz-expert Simon Barteling roerde zich. Hij was net weg bij onderzoeksinstituut ID Lelystad, dus hij kon het zich permitteren om een paar waarheden over het mkz-vaccin te onthullen. Terwijl de virologen die nog bij ID-Lelystad werkten in de rechtszaal verkondigden dat gevaccineerde dieren allesbehalve veilig waren omdat ze nog virus konden overdragen, wond de dissidente wetenschapper Barteling zich op over de massale ruimingen.
‘’Er zijn goede vaccins, de beste ter wereld’’, zei de man die er zelf aan had meegewerkt.
De vrees dat gevaccineerde dieren alsnog besmet konden raken met het veldvirus en dat vervolgens weer zouden overdragen, noemde Barteling ongegrond. ‘’Er is geen enkel geval bekend, waarbij gevaccineerde dieren een uitbraak hebben veroorzaakt. Vaccinatie maakt het virus zodanig onschadelijk dat besmetting zo goed als uitgesloten is.’’ Zijn oud-collega G. Terpstra, ook voormalig viroloog bij ID-Lelystad, was het eens met Barteling. In de Volkskrant van 14 mei 2001 zei hij: ‘’De gevaccineerde dieren hadden goed kunnen blijven leven. Ruimen was veterinair en epidemiologisch onjuist’’.
Niets van dit alles is terug te vinden in het evaluatierapport van B&A. Er was onder wetenschappers een discussie gaande over vaccinatie voor het leven, maar de staatsvirologen die het gevoerde beleid in de rechtszaal moesten verdedigen, hielden vol dat er een veterinaire grondslag was voor het doden van gevaccineerde dieren. Geen woord erover in het evaluatierapport van B&A. Nederland kroop door het oog van de naald, staat daar. Maar daarmee werd niet gedoeld op de wankele onderbouwing van de beslissing om het leven van tienduizenden ingeënte dieren te beëindigen.
Gaandeweg de mkz-crisis kwamen we erachter dat er hele andere redenen waren om de bestaande 500.000 doses vaccin niet uit de kast te trekken, anders dan voor noodvaccinaties met de dood tot gevolg. Degenen die verantwoordelijk waren voor het beleid construeerden een werkelijkheid van onvermijdelijk te nemen stappen. Steeds meer mensen namen aanstoot aan het grote zwijgen over de invloed van de groot-industriëlen uit de veehouderij.
Sommigen hadden een vooruitziende blik. Al voordat er zich in Nederland een uitbraak had voorgedaan en de autoriteiten schermden met een dreigend faillissement van de veehouderij ter rechtvaardiging van de dood van vele tienduizenden koeien, kalveren en varkens, schreef de journalist Hans Wansink een ongemeen felle column in de Volkskrant van 10 maart 2001. Hij was geschokt door beelden uit het Verenigd Koninkrijk van brandende koeienlijken op elkaar gestapeld in massagraven. Elf dagen voor de eerste besmetting in Nederland richtte hij onder de kop ‘’Diereninferno’’ zijn pijlen op de ‘’duivelse bio-industrie’’. Die mocht wat hem betreft gewoon failliet gaan. ‘’Dat bespaart miljarden aan belastinggeld – geld dat we dan kunnen besteden aan een reële prijs voor een biologisch verantwoord product.’’
Landbouwminister Laurens Jan Brinkhorst liet zich nogal eens denigrerend uit over de critici van zijn beleid. Hij zette ze weg als stuurlui aan de wal. Ondertussen was hij zich zeer bewust van de economische belangen die op het spel stonden en daarmee van zijn eigen reputatie in Brussel. Brinkhorst was van 1967 tot 1973 hoogleraar Europees recht in Groningen, van 1982 tot 1987 hoofd van een Europese delegatie in Japan, hij bekleedde diverse ambtelijk topfuncties bij de Europese Commissie en van 1994 tot 1999 was hij Europarlementariër.
De crisis was nog maar net ten einde of Brinkhorst verweet boeren krokodillentranen te huilen. Niet erg tactisch. Beetje wereldvreemd ook.
Posters verspreid in de driehoek riepen ten tijde van de crisis op om het ‘’zinloos doden van gezonde dieren’’ te stoppen. Menigeen plakte ze op de achterruit van de auto. De woorden waren correct gekozen. In de vee-industrie is het weliswaar schering en inslag dat er giga-aantallen dieren het leven laten omwille van de voedselproductie. Maar in al die gevallen dient het doden wettelijk gezien een ‘’redelijk doel’’. Nergens staat geschreven dat dieren ook gedood mogen worden om Friesland Campina of de VanDrie Group in de benen te houden.
Met zijn opmerking over de krokodillentranen gaf Brinkhorst er bovendien blijk van het tijdsgewricht niet goed te begrijpen. Hij had niet in de gaten dat er naast boeren ook heel wat burgers geschokt en onthutst waren door wat er gebeurde. Het besef dat dieren voor veel mensen ook een andere dan een economische waarde hebben, was in de hoogste beleidsregionen van het landbouwministerie nog niet doorgedrongen.
Op 3 april 2001 komt in Brussel vanuit Nederland het verzoek binnen over de noodvaccinatie van alle evenhoevigen in de zogeheten driehoek. Er is op dat moment nog geen duidelijkheid over het lot van de ingeënte runderen. Of zij mogen blijven leven, wordt opengelaten. Al het andere gevaccineerde vee (varkens, geiten en schapen) zou hoe dan ook worden gedood.
Landbouwminister Laurens Jan Brinkhorst wist welke economische belangen er op het spel stonden, zoals de lucratieve handelsafspraken die een paar maanden eerder waren gemaakt tussen Japan en een leverancier van kalfsvlees, de VanDrie Groep uit Apeldoorn. Brinkhorst wist wat de gevolgen zouden zijn als de koeien zouden blijven leven, niet alleen voor de export van het kalfsvlees, maar ook voor de melk. ‘’Export heiliger dan de koe’’, kopte het Deventer Dagblad boven het bericht dat de dagen van 54.000 gevaccineerde koeien waren geteld.
In het besluit om die 54.000 runderen te doden en te vernietigen komt veel samen. Naast het besluit om 60.000 hoogstwaarschijnlijk gezonde koeien, varkens en schapen af te voeren uit Kootwijkerbroek nadat één bedrijf verdacht was verklaard, was het een dieptepunt van de mkz-crisis. De gang van zaken rond de 54.000 runderen uit de driehoek – ze waren in tegenstelling tot de dieren uit Kootwijkerbroek allemaal bij wijze van noodmaatregel ingeënt – draagt de kenmerken van een verdeel-en-heersstrategie.
Brinkhorst gaf daartoe de aanzet met zijn aanvankelijke plan om de dieren een jaar lang in leven te laten. Daarmee wekte hij de indruk dat de veestapel in de driehoek door vaccinatie gered kon worden. Maar het bleek niet veel meer dan een val. Op 5 april 2001 meldde de Volkskrant dat een aantal boeren – onbekend hoeveel – bereid was hun runderen te laten slachten. Tegelijkertijd riep het doden van het gevaccineerde vee veel verzet op, zo bleek. Boeren verzamelden zich bij het kantoor van de Gewestelijke Land- en Tuinbouworganisatie GLTO in Deventer. Er waren scheldkanonnades te horen. De demonstranten voelden zich verraden. Maar ze waren zich er tegelijkertijd zeer van bewust dat noodvaccinatie strenge exportbeperkingen met zich zou meebrengen.
Er heerste verwarring: volgens de Brusselse richtlijnen was er geen sprake van een verplichting om het gevaccineerde vee af te maken en te vernietigen. De twijfel sloeg toe. Konden de dieren misschien geslacht worden voor binnenlandse consumptie, ook al bracht dat langdurige exportbeperkingen met zich mee? En wat als dat niet mogelijk was, hoe lang mochten de ingeënte dieren dan blijven leven? Als ze na een jaar toch moesten worden afgemaakt, kon je ze dan niet beter niet laten inenten?
Op 11 april berichtte NRC over tweespalt onder boeren in het mkz-gebied. Zelfs binnen LTO zou verdeeldheid bestaan, onder meer als gevolg van verschil in belangen tussen boeren bij wie het vee al was gedood en boeren bij wie dat nog niet het geval was. Dit zorgde voor een lastig dilemma. De vele vragen en open einden, het heen en weer geslingerd worden tussen hoop en vrees, waren voor de Minister van Landbouw aanleiding om uit een ander vaatje te tappen: de hele sector zou eraan gaan, als de gevaccineerde dieren in leven bleven, waarschuwde hij.
Ook LTO-voorzitter Doornbos wilde de knoop doorhakken. Enerzijds vroeg hij om zekerheid van de Europese Commissie dat de rest van Nederland dieren kon blijven exporteren, mocht worden besloten de gevaccineerde koeien in de driehoek in leven te houden. Tegelijkertijd kwam hij met de knetterharde boodschap:
‘’Als Nederland zijn handelspositie in Europa verliest, zijn de gevolgen niet te overzien. Dat is geen begaanbare weg.’’
LTO en minister hebben ruim een week kunnen volhouden dat de beslissing bij de boeren zelf lag. Terwijl velen nog in de illusie leefden dat Nederland in Europa druk bezig waren het non-vaccinatiebeleid ongedaan te maken, bleek het lot van de gevaccineerde dieren in feite bezegeld. Het Permanent Veterinair Comité in Brussel gaf althans geen uitsluitsel over de gevolgen voor de mkz-vrije status van een land waarin een deel van het vee is ingeënt tegen deze dierziekte. Het comité verwees naar de handelspartners die zelf wel uitmaken of zij dan nog Nederlands vlees willen kopen. Met andere woorden: de verantwoordelijkheid lag geheel bij de exporteurs van de agro-industrie.
Op 12 april viel het zwaard van Damocles. Het kabinet besloot de 54.000 runderen die sinds 4 april waren ingeënt, te laten vernietigen. De exportbeperkingen zouden té groot zijn, de ‘’economische en sociale gevolgen voor een groot aantal veehouders té ingrijpend’’. Brinkhorst zei boerenorganisatie LTO te volgen, die had geadviseerd ‘’tot ruiming over te gaan’’.
Boeren bleken in toenemende mate bereid hun dieren op te offeren. In de Tweede Kamer stemde een meerderheid van PvdA, VVD en D66 voor het besluit. Een formaliteit. De oppositie stemde tegen. Een lange rij vrachtwagens vertrok richting slachterij Gosschalk in Epe. Een spandoek langs de weg met de tekst ‘’Op naar de mkz-vrije status’’ heb ik niet gezien, maar het had er kunnen staan. Doornbos van LTO gaf achteraf toe dat het advies om over te gaan tot noodvaccinatie met de suggestie dat het vee wellicht kon blijven leven, onverstandig was. Het redden van zoveel runderen met als prijs dat het gebied misschien wel ruim een jaar op slot zou gaan, was volgens Doornbos een ‘’onverantwoord alternatief’’.
Het waren de emoties die het zicht vertroebelden op wat er feitelijk gebeurde en hoe zich dat verhield tot onze democratische rechtsorde. Insiders wisten van meet af aan dat de VS en Japan geen vlees meer zouden importeren van gevaccineerde dieren. Ook voorzagen ze grote gevolgen voor andere exportproducten. Maar alleen op grond van handelsbelangen mochten er geen gezonde dieren worden gedood. Het instorten van de export kon dergelijk ingrijpen onmogelijk rechtvaardigen. Dus hielden de autoriteiten ook op 12 april nog altijd vast aan het idee dat Nederland getroffen was door een ontwrichtende dierziektecrisis. Terwijl het aantal uitbraken zeer beperkt was gebleven en er zich na 10 april nog slechts twee besmettingen in de driehoek zouden voordoen. Zo effectief was het vaccin.
In de overheidsvoorlichting en ook in rechtszaken werden er allerlei argumenten bij gehaald om het platte economische belang te verhullen. Ingeënte dieren konden virus blijven doorgeven en dat zou tot nieuwe uitbraken kunnen leiden. Menig viroloog zag dit overigens niet als een groot gevaar. Wat tot aan het einde van de crisis ook steeds de kop opstak: er zou geen onderscheid gemaakt kunnen worden tussen antistoffen ten gevolge van een besmetting en antistoffen na vaccinatie. Zoals in hoofdstuk 7 beschreven, een drogreden.
En zoals steeds wezen degenen die de beslissingen namen met de beschuldigende vinger naar ”Brussel”. Dat de 54.000 gevaccineerde runderen uit de driehoek zijn gedood en vernietigd, kwam volgens hen toch vooral doordat de EU consequent vasthield aan niet-inenten. Vanuit Nederland was er nog zo aangedrongen op ander beleid. Zelfs premier Kok beaamde dat. Hij zei te hopen dat hij in de toekomst kon rekenen op een ‘soepeler’ houding van de Europese Unie als het om vaccineren gaat.
Ten tijde van de mkz-crisis was er een belangrijke rol weggelegd voor de Ier David Byrne, Eurocommissaris voor volksgezondheid en consumentenbescherming. Hij speelde met verve de boeman en was niet te beroerd om tijdens de crisis op verzoek van Brinkhorst ons land te bezoeken. Byrne leverde scherpe kritiek op de beslissing van Nederland om dieren in de zogeheten driehoek niet direct te ruimen, maar eerst te vaccineren. Dat was hem een doorn in het oog. Stamping out was volgens de Ier de beste oplossing.
“Ik begrijp dat vaccinatie een aantrekkelijk alternatief lijkt voor het doden van dieren’’, zei hij. Maar hij wees op de handelsbelemmeringen, de problemen die er zijn om onderscheid te kunnen maken tussen gevaccineerde en besmette dieren, de noodzaak om voor uiteenlopende soorten mkz uiteenlopende vaccins te maken. In Europa bestaat nog steeds overeenstemming dat vernietiging de beste oplossing is, aldus Byrne. Er was nog geen meerderheid voor afschaffing van het non-vaccinatiebeleid.
Als ik de woorden van Byrne teruglees, moet ik denken aan de opmerking van Henk Vaarkamp over het ‘’rattencircuit’’ in hoofdstuk 5. Kort samengevat: de een z’n dood is de ander z’n brood. Byrne hield de mythe in stand dat er niets te kiezen viel. Door zich zo nadrukkelijk uit te spreken tégen preventieve vaccinatie en ook tégen noodvaccinatie, fungeerde Byrne als een soort bliksemafleider voor Brinkhorst. Enerzijds ondersteunde hij het Nederlandse beleid gericht op het massaal doden van gezonde dieren, anderzijds kreeg Brinkhorst de ruimte om met noodvaccinaties te laten zien dat hij minder streng in de leer was dan de boeman uit Brussel. Met andere woorden: vergeleken met Byrne viel Brinkhorst wel mee.
Op 18 april bezocht Byrne het mkz-crisiscentrum Stroe. Hij liet desgevraagd weten dat boeren die demonstreren in gebieden waar mond- en klauwzeer heerst, in zijn ogen onverantwoordelijk bezig waren. Het Reformatorisch Dagblad noemde hem een koude bureaucraat:
”De verwijten tegen de Ierse commissaris variëren van een ”koude bureaucraat”, een ”echte advocaat”, ”iemand die veel van papier leest”, tot ”iemand die weinig kaas heeft gegeten van het feit dat mkz ook een maatschappelijke en ethische impact heeft.”
Brinkhorst liet niet na openlijk kritiek te leveren op Byrne, door hem te verwijten dat hij de mond- en klauwzeercrisis wel erg technocratisch bekeek en voorbijging aan het gevoel dat bij het publiek leeft. Later toonde Byrne zich overigens, ondanks zijn eerder geuite bedenkingen tegen vaccinatie, groot voorstander van een discussie in Europees verband over de invoering van zogenoemde markervaccins tegen mkz. Toepassing van deze vaccins zou het mogelijk maken zieke dieren te onderscheiden van gevaccineerde dieren. Dat zijn eerdere bezwaren tegen vaccinatie grotendeels waren gespeeld, bleek op 4 september 2001. Byrne onthulde desgevraagd dat er al sinds 1994 onderzoeksprojecten op het gebied van markervaccins werden gefinancierd.
In december van 2001 kondigde Byrne op een internationale conferentie aan dat de Europese Commissie het jaar erop met een hervorming van het mkz-beleid zou komen. Het massaal en uit voorzorg doden van dieren moest worden voorkomen, vond hij. NRC meldde dat er volgens Byrne ‘’bemoedigende tekenen” waren dat in nieuwe regels een rol zou zijn weggelegd voor vaccins die onderscheid maken tussen besmette en niet besmette dieren. Daarmee ‘’kan het onnodig slachten en vernietigen van gezonde dieren worden vermeden’’’.
Brinkhorst bracht op diezelfde conferentie naar voren dat er al vaccins bestonden die ‘’met 99,9 procent zekerheid” het verschil zichtbaar maken tussen gevaccineerde dieren die het virus wél en niet onder de leden hebben. ‘’Als deze testen internationaal worden erkend, kan een einde komen aan de handelsrestricties die nu gelden voor landen die vaccineren. Die zijn er omdat gevaccineerde dieren die zelf niet ziek worden, het virus nu wel ‘onzichtbaar’ kunnen verspreiden’’, noteerde NRC.
Eurocommissaris Byrne onderstreepte op de conferentie wel dat een wijziging van het non-vaccinatiebeleid niet alleen Europees, maar wereldwijd moest worden afgesproken binnen de Internationale Organisatie tegen Dierziekten, OIE. Brinkhorst daarentegen zei alleen al een beleidswijziging in Europa van groot belang te vinden. De OIE zou de politiek snel genoeg volgen, zo verwachtte hij.
Het was nogal een omslag. Sterker, het klonk driekwart jaar na de slachting van ruim 270.000 overwegend gezonde dieren volstrekt ongeloofwaardig. Dat beide heren iets te optimistisch waren, bleek later. In 2002 verklaarde Byrne dat de weg vrij was gemaakt voor noodvaccinaties met behulp van markervaccins en dat de OIE bereid was de regels te veranderen. Er zat nog wel een bekende adder onder het gras: een land dat dieren vaccineert zonder ze te slachten, hoefde als een uitbraak onder controle was, niet direct te rekenen op een mkz-vrije status. Daar zou een half jaar overheen gaan. Zo’n handelsverbod van een half jaar na vaccinatie betekende nog altijd een fikse strop. En bracht het risico met zich mee dat de concurrenten er met de buit vandoor zouden gaan.
De uitlatingen van Byrne en de reacties daarop van Brinkhorst dienden vooral om een beleid te verdedigen dat zeer omstreden was en om verwarring te zaaien over wie nu waarvoor verantwoordelijk was. Met hun opmerkingen over het zogenaamde nieuwe beleid van na de mkz-crisis leidden ze de aandacht af van de enorme slachtpartij die zich kort daarvoor in Nederland had voltrokken.
De Volkskrant had gelukkig een wakkere correspondent in Brussel die al snel het geschuif met verantwoordelijkheden doorzag. Geert-Jan Bogaerts signaleerde dat landbouwminister Brinkhorst de zwarte piet voor het beleid van niet-vaccineren ‘’tamelijk onbeschaamd’’ in Brussel neerlegde. Terwijl Nederland zelf dat beleid tien jaar lang had gesteund.
Op 30 maart 2001, de crisis was nog geen twee weken oud, schreef Bogaerts in de Volkskrant over de groeiende oppositie in het Europees Parlement tegen het mond- en klauwzeerbeleid en het vaccinatieverbod. ‘’Het zijn de lidstaten van de EU zelf die besloten hebben om vanwege economische motieven niet meer te vaccineren’’, stelde hij vast.
‘’Ook de huidige besluiten komen voor rekening van de lidstaten’’, aldus Bogaerts, doelend op de Nederlandse maatregelen. ‘’Die worden genomen in het machtige Permanent Veterinaire Comité (PVC), waarin topambtenaren van de nationale ministeries van Landbouw zitting hebben. Hun ministers en niet de Europese Commissie zijn verantwoordelijk voor de besluiten. Een minister kan zich indien nodig in zijn eigen parlement altijd verschuilen achter de besluitvorming van het PVC. Controle door het Europese Parlement is er evenmin.’’
Het mag dan zo zijn dat er in crisistijd bijzondere omstandigheden gelden die een ongewone besluitvorming rechtvaardigen, het is in ons parlementaire bestel niet de bedoeling dat daarbij een democratisch tekort ontstaat. Volksvertegenwoordigers moeten onder alle omstandigheden hun werk kunnen doen. Een minister moet in het openbaar verantwoording afleggen, de macht moet gecontroleerd kunnen worden. Voor zover de minister bij belangrijke beslissingen belangen heeft afgewogen, moet hij daarover transparant zijn.
D66-minister Laurens Jan Brinkhorst wist deze democratische waarden echter niet hoog te houden. De checks and balances van de democratische rechtsorde werden misschien niet doelbewust maar dan toch als bijna vanzelf buiten werking gesteld. Zo kon er een nietsontziende machinerie op gang komen die recht op zijn doel af ging: zo snel mogelijk weer melk en vlees produceren en exporteren.
Van gerichte ondermijning was – voor zover ik heb kunnen nagaan – geen sprake. Instituties en een meerderheid van de volksvertegenwoordigers bogen vanzelf mee. Brinkhorst, lid van het kabinet Kok II, kreeg vrij spel dankzij een coalitie van VVD, zijn eigen D66 en de PvdA, samen goed voor 97 zetels. Hij kon rekenen op de boerenvolksvertegenwoordigers zoals Gert Jan Oplaat (toen VVD), Annie Schrijer-Pierik (CDA), Joop Atsma (CDA), Pieter ter Veer (D66) en Harm Evert Waalkens (PvdA). Zij allen hadden een link met de veehouderij.
Veel speelde zich vlak voor en tijdens de mkz-crisis achter de schermen af. De landbouwminister had er een handje van de Tweede Kamer in besloten commissieverband te informeren over wat hij en zijn departement hadden bekokstoofd, samen met boerenorganisaties LTO, NVV (varkenshouderij), NVM (melkveehouderij), de lobbyisten van de zuivel- en vleessector, de Product- en Bedrijfschappen, de dierenartsenorganisatie KNMvD, de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, de instelling voor veterinair onderzoek ID Lelystad, en de Gezondheidsdienst voor Dieren. Van mondelinge overleggen verschenen pas na enkele weken, soms pas na een maand, beknopte verslagen.
Belangrijke besluitvorming werd zo aan het zicht onttrokken. Er was een incrowd en een outcrowd, constateerde ook de B&A groep. Tot die outcrowd behoorden niet alleen al die maatschappelijke organisaties die in de besluitvorming geen enkele rol van betekenis speelden, maar zeker ook de Tweede Kamer, zo valt uit de handelingen van enkele plenaire debatten af te leiden. De parlementariërs werden vaak achteraf geïnformeerd. En als ze al bijtijds te horen kregen wat er ging gebeuren, dan konden ze daar vaak niets mee, omdat de informatie in een vertrouwelijke setting was verstrekt. Bovendien hadden ze door powerplay van Landbouwminister Brinkhorst weinig in te brengen.
De oppositie, bestaande uit Dick Stellingwerf (Reformatorische Politieke Federatie), geen boer, net zomin als Remi Poppe (Socialistische Partij) en Marijke Vos (GroenLinks), nam het veelal tevergeefs op tegen Brinkhorst, zo blijkt uit de handelingen van openbare plenaire debatten op 29 maart, 11, 24 en 25 april en 7 juni. Coalitie en oppositie opereerden vanuit twee verschillende werelden en groeiden gaandeweg steeds verder uit elkaar. Brinkhorst was in de Tweede Kamer vooral de pleitbezorger van de harde lijn. Hij duldde weinig tegenspraak. Door zijn rigide opstelling vond hij zo nu en dan zelfs Joop Atsma van het CDA tegenover zich, die net als de boeren in de driehoek onderhevig was aan een innerlijke tweestrijd.
Op 29 maart 2001 ging het in de Tweede Kamer over het besluit tot noodvaccinatie en de gevolgen daarvan voor de export als de gevaccineerde dieren zouden blijven leven. Marijke Vos pleitte voor rekken: de dieren wel vaccineren, maar nog geen vervolgstappen te zetten. De periode na toediening van noodvaccinaties zou volgens haar benut kunnen worden om Europa op alle mogelijke manieren onder druk te zetten, het roer om te gooien en de dieren in leven te laten. Het is ook nog mogelijk om, voordat je gaat vaccineren, bloed af te nemen van die dieren, suggereerde Vos. Dan kon je vaststellen welke dieren gezond en welke ziek waren.
Brinkhorst wilde er niet van weten: hij stelde de noodvaccinatie voor als gunst van Brussel. Er waren harde voorwaarden aan verbonden. In de beschikking van de Europese Commissie over de gevaccineerde dieren en hun producten was bepaald dat de dieren de vaccinatiezone niet mochten verlaten in een periode van twaalf
maanden na de laatste uitbraak. De landbouwminister, die in de driehoek betrokken was bij een ingewikkelde verdeel-en-heersstrategie (zie hoofdstuk 9), benadrukte in de Tweede Kamer vooral één kant van de zaak. Hij sprak over een ‘’volstrekte blokkade van de export van Nederland, niet alleen naar verre landen, maar ook naar Europese landen’’. Hij zei:
‘’Het lijkt mij bijna uitgesloten – ik wil de Kamer niet met een kluitje in het riet sturen – dat wij binnen twee maanden tot een totale herziening van het non-vaccinatiebeleid in Europees verband zullen komen’’.
Het pleidooi van Marijke Vos dat zij via een motie inbracht, zou volgens Brinkhorst directe gevolgen hebben voor de Nederlandse zuivelexport en daarmee voor de hele Nederlandse melkveehouderij.
Vos zag een kleine twee weken later Joop Atsma van het CDA langszij komen. Hij vond net als zij dat elke rek in de regelgeving moest worden benut om het leven van de gevaccineerde runderen te redden. Weliswaar met de nodige voorzichtigheid stelde hij op 11 april voor dat ‘’in afwachting van ontwikkelingen elders in het land vooralsnog niet het besluit wordt genomen tot het op grote schaal ruimen van gevaccineerd rundvee.’’
Terwijl steeds de indruk werd gewekt dat alles moest van Brussel en dat men Nederland met de noodvaccinaties al een heel eind tegemoet was gekomen, beschrijft Tjirk van der Ziel in zijn proefschrift Verzet en Verlangen een samenspel tussen ambtenaren in Den Haag en Brussel, dat leidde tot een ad hoc beleid. Inderhaast opgestelde regelingen dienden vooral om een beleidsgat dat was ontstaan door het non-vaccinatiebesluit juridisch dicht te smeren en zo noodvaccinaties in combinatie met het alsnog doden van gezonde dieren mogelijk te maken. Nederland speelde daarin een actieve rol.
De draconische maatregelen die werden voorbereid, dienden vooral de zuivel- en vleesindustrie. Ze hadden steeds minder te maken met het beteugelen van een dierziekte. Daarover openlijk debatteren in het parlement zou het verzet in de driehoek kunnen aanwakkeren. Vragen van kritische Kamerleden ketsten af op een muur van onwil om het dilemma in alle openbaarheid bespreekbaar te maken.
Niettemin probeerde Dick Stellingwerf het tij nog te keren. Hij kwam met een opmerkelijk noodplan, op 3 april 2001 gelanceerd in het Reformatorisch Dagblad, bij wijze van alternatief voor de ‘’massaslachting’’ in de driehoek. Het was een uit wanhoop geboren voorstel: hij vond dat de Nederlandse politiek het besluit moest nemen de gevaccineerde dieren in de driehoek niet te vernietigen, maar ze in leven te laten.
‘’Na het verstrijken van de incubatietijd van het mkz-virus zullen verreweg de meeste gevaccineerde dieren mkz-vrij blijven. De gevaccineerde dieren in zo’n gebied kunnen goed worden onderscheiden van de niet-gevaccineerde dieren daarbuiten. Zolang binnen Europa de discussie over vaccinatie nog gaande is, zouden deze gevaccineerde dieren gereserveerd kunnen blijven voor de binnenlandse consumptie. De niet-gevaccineerde dieren elders in het land, verreweg het grootste deel van de Nederlandse veestapel, kunnen dan beschikbaar blijven voor de export.’’ Aldus Stellingwerf.
Marijke Vos bezocht in die periode een demonstratie op het Malieveld om haar ongenoegen over de gang van zaken te delen. Brinkhorst vond het maar niks, verweet haar illusiepolitiek, vroeg haar daarmee op te houden. De Landbouwminister nam zijn toevlucht tot steeds grotere woorden. Op 11 april zei hij in een debat met de Tweede Kamer: ‘’Eén ding is zeker: voor welk alternatief men ook kiest, het gebied zit ten minste volledig op slot gedurende 12 à 18 maanden. Het geheel op slot zetten heeft zware sociaal-maatschappelijke gevolgen: isolement, kaalslag en werkloosheid.’’
Stellingwerf nam het op voor Vos: ‘’Ik vind dat de minister wel zeer zware woorden nodig heeft om een standpunt dat ik ook als het mijne interpreteer, af te doen als niet realistisch en met de stelling dat er maar één beleid mogelijk is, namelijk de voorstellen die hij heeft gedaan.’’
‘’Aan iedere afweging ligt een ethisch kader ten grondslag’, aldus Stellingwerf. ‘’Daar moeten wij elkaar volstrekt vrij in laten; ik zou het zeer ernstig vinden als de minister ons verweet: wat jullie zeggen, kan eigenlijk helemaal niet, dat is mooi weer spelen met je normen en waarden. Ik ervaar dit absoluut niet zo, ik heb keuzes gemaakt die in lijn zijn met wat mevrouw Vos heeft gezegd en die haalbaar zijn.’’
Op 25 april, een kleine twee weken nadat het besluit tot het doden van de 54.000 ingeënte runderen in de driehoek was genomen, beet Brinkhorst in de Tweede Kamer opnieuw van zich af. ‘’De Nederlandse positie op het terrein van de agrobusiness is van groot belang. Tegelijkertijd zijn wij nu geconfronteerd met een situatie waarin geen ander beleid mogelijk is. Mevrouw Vos wekt keer op keer de suggestie dat de facto een ander beleid mogelijk is. Ik betwist dat. Men pleit voor een ander beleid. Het kabinet staat daar achter. Ik ben degene geweest die vanaf het eerste moment dat er in Europees verband over is gesproken, heeft gezegd dat er een heroverweging moet komen. De afweging was destijds te smal: veterinair, handelspolitiek, exportgericht. Er zijn bredere afwegingen te maken.’’
Vervolgens ging hij in op ethische bezwaren die werden aangevoerd tegen de ‘’massaslachting’’ in de driehoek. Dat wil zeggen: hij nam afstand van de ethische gronden op basis waarvan een beter beleid zou kunnen worden gevoerd. ‘’Het gaat niet om die dimensie. Het is een vals beeld dat opgeroepen wordt. Het draagt niet bij aan een snelle oplossing. Het is wel een beeld dat week in week uit, dag in dag uit naar buiten wordt gebracht.’’
De aversie die Brinkhorst ten toon spreidde tegen ethische gronden, kwam voort uit haast. Hij stond onder druk. Bij de exporteurs van vlees en zuivel hoefde hij niet aan te komen met normen en waarden. Die lieten hem weinig ruimte om in de Tweede Kamer ook leden van de oppositie mee te krijgen. Brinkhorst maakte gebruik van dreigementen, spookbeelden, drogredenen. Een failliet van een sterk op de export gerichte veehouderij wilde hij niet voor zijn rekening nemen. Laat staan dat de Nederlandse consument zou verdrinken in een melkplas of zou stikken in een vleesberg. Want dat zou gebeuren als al het gevaccineerde vee bleef leven en hun producten moesten worden afgezet op de binnenlandse markt, zo hield hij zijn opponenten voor.
De landbouwminister, die zich graag afficheerde als ‘’homo europeus’’ (hij was eerder lid van het Europees Parlement en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken), was ervan op de hoogte dat het Europese non-vaccinatiebeleid mede voortkwam uit adviezen van Nederlandse makelij. Het waren Wageningse wetenschappers, onder wie Aalt Dijkhuizen, die eind jaren tachtig van de vorige eeuw hadden becijferd dat een uitbraak van mkz eens in de tien jaar goedkoper zou zijn dan vaccineren.
Pas toen bleek wat de consequenties waren van dat non-vaccinatiebeleid, was het te laat. Op zo’n moment vanuit Nederland pleiten voor alternatieven, zou verkeerd overkomen, realiseerde Brinkhorst zich. Hij liet daarvan iets doorschemeren in een algemeen overleg met de vaste Kamercommissie van LNV, die op 4 april bijeenkwam. Daar maakte hij melding van fundamentele verschillen in visie in de verschillende lidstaten op het non-vaccinatiebeleid.
‘’De Nederlandse positie met betrekking tot de intensieve veehouderij heeft in Europa twee reacties opgeroepen’’, zei Brinkhorst. ‘’De eerste is dat Nederland een buitensporig groot aandeel heeft in de intra-Europese export en productie. De tweede is dat Nederland op het terrein van milieu en diergezondheid een aantal kwetsbaarheden heeft. Vanuit de optiek van de andere lidstaten betaalt Nederland nu de prijs voor ontwikkelingen die uit het oogpunt van diergezondheid door andere lidstaten anders worden gepercipieerd.’’
Met andere woorden: Nederland hoefde niet op al te veel sympathie te rekenen van andere lidstaten. Brinkhorst koos voor een rigide aanpak, voor het elimineren van al het vee in een gebied waar de ruimingscirkels tot onwaarschijnlijke proporties waren opgerekt. Alles om zo snel mogelijk weer te kunnen herbevolken. Om zo snel mogelijk weer te kunnen exporteren. Om een landbouwcrisis af te wenden, zelfs toen de veterinaire crisis vrijwel onder controle was. Er zou na het besluit tot het doden en vernietigen van de tienduizenden gevaccineerde runderen nog slechts één besmetting volgen: op 22 april in Wijhe, gelegen in het toezichtsgebied Oene.
Het ontbrak Brinkhorst in het heetst van de strijd aan de lenigheid van geest om in te zien dat er ook in Brussel inmiddels pro-vaccinatiegeluiden klonken en de bereidheid toenam om in geval van noodvaccinatie de zaken beter te regelen. Medio april 2001 was er notabene een conferentie van de internationale organisatie OIE (tegenwoordige Wereldorganisatie voor de Diergezondheid WOAH) en de FAO (de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties). Een van de aanbevelingen van deze conferentie was om indien noodzakelijk het gebruik van mkz-vaccins, mits deze voldoen aan de OIE-standaard, sterk aan te moedigen.
De Landbouwminister staarde zich echter blind op het voorstel dat hem door het Permanent Veterinair Comité was voorgelegd. Nederland kon de 54.000 runderen laten vaccineren. De dieren konden blijven leven, maar dan moesten ze wel 12 maanden in het gebied blijven. Dat gebied zou op slot gaan. De melk en het vlees moesten een speciale behandeling ondergaan en mochten niet naar het buitenland. Het alternatief was de gevaccineerde dieren zo snel mogelijk te doden. Dan zou het gebied dertig dagen na de doding van het laatste gevaccineerde dier het gebied worden vrij gegeven.
Uit vele bronnen, waaronder de B&A-evaluatie, blijkt dat Brinkhorst de Tweede Kamer wel heeft geïnformeerd, maar dat de besluitvorming toch vooral plaatshad in het overleg met de boerenorganisatie LTO, de vlees- en de zuivelsector. ‘’In de ambtelijke contacten hebben vertegenwoordigers van de Commissie er duidelijk voor gewaarschuwd dat zolang in het vaccinatiegebied nog gevaccineerde runderen verblijven, Nederland rekening moet houden met continuering van beperkingen’’, zo hield Brinkhorst de Kamer voor.
In een debat op 25 april 2001 vatte Dick Stellingwerf het democratisch tekort kernachtig samen:
‘’De keus voor het rundvee in de driehoek is door de Kamermeerderheid niet gemaakt.’’ Waarbij hij de veelzeggende vraag stelde: ‘’Is de minister bij een onverhoopte nieuwe uitbraak in een melkveehouderijgebied bereid, de afweging opnieuw te maken en zijn keuze ook aan de Kamer voor te leggen, in plaats van alleen aan LTO?’’
Twee jaar later, op 22 april 2003, verscheen ‘’MKZ 2001, eindverantwoording, een rapport opgesteld door het Ministerie van LNV. Het is een rommelig stuk, hoewel de invloed van de sector op beleid en uitvoering er duidelijk in staat omschreven. In feite droeg Nederland niet alleen een zware verantwoordelijkheid voor het zogeheten non-vaccinatiebeleid, ook in de interpretatie van wat ‘’moest van Brussel’’ volgde de top van het landbouwministerie gedurende de mkz-crisis in nauwe samenspraak met de agro-lobby zijn eigen weg. Het Ministerie formuleerde het in de eindverantwoording zo:
”Het maatregelenpakket is in nauw overleg met alle relevante actoren en belanghebbenden tot stand gekomen. In dit verband zijn te noemen de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zoals LTO-Nederland, NVV, NMV, Product- en Bedrijfschappen, beroepsgroepen zoals de KNMvD, uitvoerenden zoals RVV, ID-Lelystad, adviseurs zoals GD, en andere organisaties. Mede bepalend voor het maatregelenpakket waren de EU-richtlijnen en nationale verplichtingen zoals deze in de wet- en regelgeving zijn aangegeven. Het Maatregelenpakket Mond- en Klauwzeer is uiteindelijk ook ter kennis gebracht van de Tweede Kamer.”
Uiteindelijk ook ter kennis gebracht van de Tweede Kamer….Tegenwoordig zou er vanuit de Tweede Kamer om een impactanalyse zijn gevraagd. Van een degelijke onderbouwing van het meest ingrijpende besluit uit de hele mkz-crisis is het echter op het moment suprême niet gekomen. Ondertussen werd er wel in de rechtszaal een doemscenario geschetst. Op 2 april 2001 verklaarde de Chief Veterinary Officer van het Ministerie van LNV Frits Pluimers tijdens een zitting van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven: ‘’In de media is door de minister aangegeven dat zelfs het verlies van een halfjaar exportbestemmingen het einde zal betekenen van een groot aantal bedrijven.’’
En op 11 mei zei hij: ‘Er is, naast het veterinaire uitgangspunt, sprake van een afweging van belangen van veehouders in een beperkt gebied, tegenover het belang van veel meer andere veehouders zowel binnen als buiten het vaccinatiegebied. Bij de afweging van die belangen speelt de exportpositie van Nederland een beslissende rol. (…) Een niet-ruimingsbeleid zou grote economische gevolgen hebben, de agrarische sector zou in elkaar storten, vele bedrijven zouden failliet gaan en er zouden alsdan nog meer dieren gedood moeten worden dan thans het geval is.’’
26 Juni 2001 is de officiële einddatum van de mkz-crisis. Het is nooit tot een parlementaire enquête gekomen. Het paarse Kabinet Kok liep in de eindfase van de mkz-crisis op zijn laatste benen. In het najaar van 2001 brak na de terroristische aanslagen in de VS een onzekere periode aan. Het jaar erop stond in het teken van de moord op Pim Fortuyn en politieke chaos. De mkz-crisis verdween naar de achtergrond.
Wel verscheen er eind december 2001 op verzoek van het ministerie van LNV nog een rapport van economen van Wageningen Universiteit (Bestrijdingsscenario’s voor Mond-en-klauwzeer) met een globale verkenning van de kosten van scenario A (vaccinatie met ruiming) en scenario B (vaccinatie zonder ruiming) in de zogeheten driehoek. De vergelijking laat forse verschillen zien in omzet en inkomen voor het agrocomplex, maar geen instortende agrarische sector, noch een failliet van de veehouderij.
Om precies te zijn: in het ‘vaccinatie met ruiming’-scenario genereert het agrocomplex vanaf het moment van de laatste uitbraak 170 miljoen euro minder omzet en 51 miljoen minder inkomen dan onder normale omstandigheden; dat komt neer op een afname van ongeveer 0,5%. In het ‘vaccinatie zonder ruiming’-scenario genereert het agrocomplex 1 miljard euro minder omzet en ruim 300 miljoen euro minder inkomen dan onder normale omstandigheden; dat komt neer op een afname van 2 à 3%.
Hoewel deze cijfers de opmerkingen van Brinkhorst over een dreigend failliet van de veehouderij tegenspraken, gaven ze geen aanleiding tot een nieuw debat.
Met principes hou je een karavaan van mannen in witte en blauwe pakken niet tegen. Toch speelden ze op: onze waarden, onze opvattingen over een goede omgang met mensen en dieren. Tussen alle emoties door klonk een zwaar gevoel van onrecht dat mens én dier werd aangedaan. Waren wij en onze dieren inderdaad zo rechteloos dat we dit maar over onze kant moesten laten gaan?
Tegenwoordig zouden we de getroffen mkz-maatregelen ethisch gezien een enorme ‘’clusterfuck’’ noemen. Op moreel gebied heerste er in de eerste maanden van 2001 een onvoorstelbare leegte. Het monomane overheidsoptreden had niets te maken met normen en waarden. De technocraten regeerden per decreet; zonder zich direct te realiseren wat ze in de samenleving aanrichtten, zonder oog voor andere inzichten dan die waarop ze hun besluiten baseerden, zonder transparant te zijn over het allesoverheersende belang van de vee-industrie, zonder tegenkrachten serieus te nemen.
Ondanks de adviezen om het niet te doen (zinloos, van de staat win je het niet) stapten boeren en burgers naar de rechter. De ene na de andere zaak werd verloren. Ook de Dierenbescherming mengde zich in de juridische strijd. Op 9 april eiste deze organisatie in kort geding: stop het doden van gezonde dieren buiten de 2 km zone van Oene en het verminken van oren na vaccinatie (de dieren kregen een knip in het oor).
De rechter oordeelde in eerste instantie: er is geen grond voor het doden op basis van een ontwerpbeschikking. Het bleek een formaliteit. De staat stelde spoedappel in. Op 13 april werd de staat in het gelijk gesteld op basis van een definitieve beschikking.
De Dierenbescherming had geen spijt van het kort geding. Adjunct directeur Bernd Timmerman zei op 23 april 2001 in de Volkskrant:
‘’We willen niet wakker hoeven worden met het idee dat we meer hadden kunnen doen dan we nu hebben gedaan. Daarvoor zetten we elk middel in dat geoorloofd is. Zodat ook Brinkhorst over zes maanden misschien wakker wordt en inziet dat hij het anders had moeten doen.’’
Verbijstering maakte plaats voor ontreddering, gelatenheid. De schade die werd aangericht, greep dieper in dan een aantasting van het vertrouwen in de overheid. Het idee dat er zoiets was als een gedeeld moreel besef – een belangrijke bouwsteen voor samenleven – liep zware averij op. De procedures komen te vroeg, liet hoogleraar agrarisch recht W. Bruil destijds in de NRC weten:
”Na de crisis kunnen we met een nuchterder oog kijken waar de overheid over de schreef is gegaan.”
Volgens Bruil gaf de Gezondheids- en Welzijns Wet voor Dieren de minister ruime bevoegdheden. ‘’Wel moeten verschillende belangen zorgvuldig worden afgewogen. De rechter bekijkt hoe de minister tot zijn beslissing komt. Die kan dan zeggen dat hij het belang van ziektebestrijding groter vindt dan het individuele belang van de boer.”
Wie de artikelen van de Gezondheids- en Welzijns Wet voor Dieren (GWWD) over het verdacht verklaren van dieren en het bestrijden van dierziekten ooit heeft bedacht, is lastig te achterhalen. Dat moet ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn geweest, na het vaststellen van Europese richtlijnen en beschikkingen over de bestrijding van mond- en klauwzeer en veterinaire controles (85/511, 89/662, 90/423). Ambtenaren moesten deze Europese regels vertalen naar nationale wetgeving. Dat hebben ze kennelijk naar behoren gedaan, want toen in ons land eenmaal mond-en-klauwzeer uitbrak, greep alles in elkaar. Het net rond de te doden dieren sloot zich razendsnel.
Wat nu precies van wie moest, was al gauw onderwerp van discussie. Had de Nederlandse overheid speelruimte om verder te gaan dan wat de Europese richtlijn voorschreef? Het Ministerie van LNV beriep zich op artikel 10 van de richtlijn 90/425/EEG waarin staat dat een lidstaat bij de uitbraak van een dierziekte onmiddellijk de voorgeschreven bestrijdings- en preventiemaatregelen moet uitvoeren, ‘’of elke andere maatregel die hij passend acht’’. Op basis van dit artikel is in de driehoek noodvaccinatie in combinatie met het doden en vernietigen van dieren toegepast. Dat doden en vernietigen was dus geen voorschrift vanuit Europa. Wel kwam er uit Brussel een beschikking van de Europese Commissie die daartoe de mogelijkheden bood.
Omdat de interpretatie van de Europese wetgeving inzet was van menige rechtszaak, legde het College van Beroep voor het bedrijfsleven in Den Haag, waar veel van die zaken dienden, zogeheten prejudiciële vragen voor aan het Europese Hof van Justitie. Het antwoord van het Hof kwam pas jaren later, in 2005. Kort samengevat: de lidstaten hadden de bevoegdheid om maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer te nemen in aanvulling op maatregelen zoals bepaald in de Europese richtlijnen. Ze hadden de bevoegdheid om te besluiten tot doding van dieren van een aangrenzend bedrijf of van dieren die zich binnen een bepaalde straal rond een bedrijf met besmette dieren bevinden. Daarbij gelden wel de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Dat hield in dit geval in dat er moest worden gekozen voor maatregelen die de minste belasting teweeg zouden brengen en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mochten zijn aan het nagestreefde doel.
Het Hof in Luxemburg sprak echter geen oordeel uit over de vraag of de Nederlandse overheid bij de preventieve ruimingen dat beginsel in voldoende mate had gehanteerd. Dat was aan de Nederlandse rechter. Die bleef het standpunt van het ministerie van LNV volgen dat in beginsel ieder verdacht dier, ongeacht of het was gevaccineerd of niet, dat in leven zou worden gelaten een risico vormde voor verdere verspreiding van mond-en-klauwzeer. Zolang het Ministerie van LNV in de rechtszaal aannemelijk wist te maken dat maatregelen een veterinair doel dienden en de economische motieven onderbelicht bleven, viel er met het evenredigheidsbeginsel geen wig te drijven in het gelijk van de overheid. Ook niet in vervolgprocedures.
Tjirk van der Ziel ging in zijn proefschrift Verzet en verlangen uitgebreid in op het juridische gevecht. Door bij voortduring te verzekeren dat het om een uiterst besmettelijke ziekte ging en dat de crisis een epidemisch karakter vertoonde, besliste het Ministerie van LNV tal van rechtszaken tegen het ruimen van gezonde dieren in zijn voordeel. Virologen die meldden dat wetenschappelijk gezien eenmaal gevaccineerde dieren geen andere dieren meer kunnen besmetten, kregen weinig voet aan de grond.
‘’Telkens kreeg de minister het voordeel van de twijfel. Bovendien was het volgens de rechter primair de taak van de volksvertegenwoordiging om het beleid van LNV te toetsen.’’
Los van wat zich in de rechtszalen afspeelde, was er in de samenleving van alles gaande. Op 28 maart 2001 gaf Dagblad Trouw ruim baan aan de inzichten van Elsbeth Stassen, destijds hoogleraar relatie mens-dier aan de Universiteit van Utrecht. ‘’De mythe rond het virus’’, stond er boven het interview. Het ging over het vaccinatieverbod dat in 1992 was ingevoerd. De risicoberekening van destijds – ééns in de vijf tot tien jaar een uitbraak is voordeliger dan elk jaar vaccineren – getuigde volgens Stassen van weinig respect voor mens en dier.
‘’Als je nu kijkt naar de totale ontwrichting, die is volstrekt onacceptabel. Het besluit van toen, de politiek van toen, is ingehaald door de tijd. Ethiek wordt bepaald door drie factoren: de tijd waarin we leven, de cultuur waarin we leven en de persoon die je bent. We hebben afgesproken met elkaar wat we doen en wat niet. We hebben jarenlang dier-ethische principes geweld aangedaan, maar het besef daarvan is pas de laatste jaren tot ons doorgedrongen, wat de ethiek weer heeft aangescherpt. Je kunt zeggen dat de economische beslissing van toen niet meer past bij de ethiek van deze jaren.’’
Stassen nam een jaar later deel aan een opinieonderzoek, op verzoek van het Ministerie van LNV uitgevoerd door de Universiteit van Utrecht. Tachtig procent van de Nederlanders bleek tegen het ruimen van gezonde dieren op basis van commerciële redenen. Dat is ‘’mens- en dieronwaardig’’, ‘’puur massamoord’’, ‘’moreel gezien onaanvaardbaar’’. Onderzoekster Joanna Swabe: ‘’De mensen zien het als nodeloos doden’’.
Het leek maar een klein groepje dat zich ten tijde van de mkz-crisis het lot van de dieren aantrok. Hoewel de media aandacht besteedden aan het dierenleed, overheerste toch vooral het mensenleed. De meeste acties en demonstraties in de driehoek en daarbuiten waren van boeren. Ze riepen op tot vaccinatie, dan wel een ruimhartige schadevergoeding. Hun woede over de macht van de overheid die het erf betrad, het vee afmaakte of levend afvoerde naar de slachterij, het verdriet ook over wat hen was afgenomen, voerde de boventoon – in woord en beeld.
Op 4 mei 2001 hielden enkele inwoners uit de door mkz getroffen dorpen – burgers en boeren – een wake bij slachterij Gosschalk in Epe. Het bedrijf was eerder doelwit van boze boeren die blokkades opwierpen om te verhinderen dat de ruimingskaravaan het slachthuis kon bereiken. Nadat de gemoederen weer tot bedaren waren gekomen, stonden er dagelijks lange rijen van vrachtwagens met gezonde, ingeënte koeien en kalveren opgesteld. Het afvoeren van de 54.000 dieren uit de driehoek was in volle gang. Voorbijgangers wendden het gezicht af. Degenen die de wake hielden, keken het mkz-monster vol in het gezicht. Toen er om twee minuten stilte werd gevraagd voor de gedode dieren, zette de slachterij de werkzaamheden even stil. Daarna draaide het bedrijf volop door. De dag erna haalden medewerkers van Gosschalk alles wat aan de dodenherdenking herinnerde weer weg.
Niet iedereen vond het gepast om te midden van al het mensenleed over dierenleed te beginnen. De één stond er om de dood van een waardevolle kudde Maas- Rijn en IJsselvee te herdenken, de ander wilde vooral de warmte van lotgenoten voelen. Voor de één ging het erom te laten zien dat boeren en andere dierhouders onrecht werd aangedaan, voor de ander was het een afscheid van een akelige periode. De wake had echter niet het karakter van een demonstratie. Dat was meer iets voor actievoerster Dafne Westerhof. Zij organiseerde al op 25 maart 2001 een stille tocht in Amsterdam waaraan ruim duizend mensen deelnamen.
“Het leed van de boeren is ongekend groot. Voor wat de dieren zelf moeten doormaken, zijn geen woorden”, zei een van de organistoren, Dafne Westerhof.
De dieren zelf. Enkele dagen voor de wake bij Gosschalk in Epe ontving ik een mail van mijn beste vriendin Liesbeth. We hadden gesproken over de (on)rechtmatigheid van het overheidsingrijpen jegens de wezens die het zwaarst getroffen waren door de mkz-crisis. Ik had haar verteld dat dieren geen rechten hebben. In de mail komt ze daarop terug. Ze had in Vrij Nederland een interview gelezen met hoogleraar dier en recht Dirk Boon. Hij stelde dat dieren in Nederland al lang rechten hebben. Het ging er volgens hem om gebruik te maken van de mogelijkheden die de wet biedt.
Het dier is, aldus Boon, juridisch gezien wettelijk beschermd sinds 1992 met de invoering van de Gezondheids- en Welzijns Wet voor Dieren (GWWD). Daarin staat: ‘’Het is verboden zonder redelijk doel, of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken, dan wel gezondheid of welzijn van het dier te benadelen.’’ De toevoeging ‘’zonder redelijk doel’’ bood echter ruimte om menselijke belangen te laten prevaleren boven de belangen van dieren. Het gaf de betrekkelijkheid aan van het wetsartikel. Nog altijd is die betrekkelijkheid aanwezig in de wetgeving, ook in de opvolger van de GWWD, de Wet dieren (2009).
De Wet dieren erkent de intrinsieke waarde van het dier en bevat een algemene zorgplicht, waar een beschermende werking vanuit kan gaan. Handelen dat kan leiden tot nadelige gevolgen voor dieren moet achterwege worden gelaten, aldus artikel 1.4. Maar het artikel bevat wel enige slagen om de arm: ‘’voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd‘’ en ‘’voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.’’
Het artikel bestond nog niet in 2001. Maar stel dat, dan is het nog zeer de vraag of de dieren er iets mee opgeschoten waren. Niet voor niets zijn juristen op het gebied van dier en recht druk doende om te kijken of ze de rechten van dieren in de Grondwet verankerd kunnen krijgen. Dat zou op z’n minst tot een betere afweging kunnen leiden op het moment dat dieren rechtstreeks worden bedreigd door overheidsingrijpen, gebaseerd op de bescherming van puur menselijke belangen.
Voor zover er volgens Landbouwminister Brinkhorst sprake was van een ethische kwestie – hij bleef daar het liefst heel ver bij vandaan – werd in 2001 het doden van gezonde dieren vooral gezien als iets aanstootgevends. Het accent lag niet op de vraag of wat we zagen gebeuren door de beugel kon, het was vooral een vraagstuk van goede zeden. Brinkhorst wilde geen beelden zoals die uit het Verenigd Koninkrijk kwamen, voorafgaand aan de mkz-uitbraken in Nederland. Brandende koeienlijken waren hem een gruwel.
Zijn opvatting over dierenwelzijn is terug te voeren naar het begin van de 20ste eeuw. Het publiek kon maar beter zo min mogelijk kennis van nemen van de naargeestige werkelijkheid. Hier zouden mannen in witte en blauwe pakken er alles aan doen om het doden en afvoeren van ruim 200.000 dieren netjes te laten verlopen. Ruimingsploegen trokken met toiletwagens en catering van bedrijf naar bedrijf. Met grijpers werden de dode dieren in een container gedumpt. De Rendac kwam om ze af te voeren. Er werden schermen geplaatst om de gruweldaden aan het zicht te onttrekken. Iets wat overigens lang niet overal lukte.
Een crisis die de gedaante aanneemt van een veelkoppig monster, eindigt op zeker moment gewoon weer als een crisis waarvan de balans kan worden opgemaakt. In totaal zijn 271.454 evenhoevige dieren op 2921 bedrijven gedood en vernietigd: varkens, runderen, schapen, geiten, en overige evenhoevigen. Daarvan waren er 200.121 op 1931 bedrijven via noodvaccinaties ingeënt. Op 26 juni 2001 kwam er een officieel einde aan de mkz-uitbraak in Nederland.
Het duurde nog even voordat alle restanten van het gedode vee waren weggewerkt. Op 5 januari 2002 kwam het lugubere bericht dat de laatste voorraad mkz-vlees werd vernietigd. Het ging om vlees van ingeënte dieren, 18.000 ton. Het lag opgeslagen in vijf vrieshuizen in de IJsselmeerpolders. Van de slachtkarkassen bleef uiteindelijk 4000 ton diermeel over. Dat ging als brandstof naar energiecentrales. De operatie zou 18 weken in beslag nemen. Voor de tijdelijke opslag was destijds gekozen omdat het destructiebedrijf Rendac zulke grote hoeveelheden dode dieren niet aan kon.
Direct na de mkz-ellende waarschuwden velen voor nieuwe uitbraken. Die kwamen er tot dusver niet. Wel was er vogelgriep. In 2003. Uitbraken in het hart van de pluimvee-industrie brachten opnieuw een vernietigingsoperatie op gang, dit keer met een overkill aan 30 miljoen dierlijke slachtoffers.
Sindsdien volgden de uitbraken van vogelgriep elkaar op. Vaccinatie laat nog altijd op zich wachten, ook al zijn er diverse geregistreerde vaccins. Het preventief doden van gezonde dieren in een zone rond besmette bedrijven is in geval van vogelgriep wel voorbij. De bestrijding blijft al geruime tijd beperkt tot het vergassen en vernietigen van alle dieren in een stal waar een besmetting is aangetroffen. Voor hobbymatig gehouden pluimvee en zeker voor dieren van zeldzame rassen gelden uitzonderingen.
Desondanks: doordat preventieve vaccinatie uit vrees voor handelsbeperkingen die landen buiten de EU kunnen opleggen, nog altijd niet is geregeld, leiden uitbraken van vogelgriep tot op de dag van vandaag tot grote aantallen slachtoffers. In de periode oktober 2025 tot half februari 2026 ging het bijvoorbeeld om twee miljoen leghennen, vleeskuikens, eenden en kalkoenen.
Hoe dat met mond- en klauweer zal gaan, is onzeker. In 2023 kwam er een nieuw draaiboek. Op hoofdlijnen gaf het voorzichtig de aanzet tot een ander beleid.
‘’Preventieve doding blijft, voor zover nu kan worden ingeschat, beperkt tot een 1 km zone rondom een besmette inrichting. Dit wordt bij elke nieuwe besmetting opnieuw overwogen en hangt af van de specifieke situatie.‘’
Preventief doden op grotere schaal wordt niet uitgesloten:
‘’Evenhoevigen op andere inrichtingen, niet gelegen in een 1 km zonde rondom een uitbraak, kunnen ook verdacht worden verklaard als traceringsonderzoek of epidemiologisch onderzoek uitwijst dat er riskante contacten zijn geweest met de inrichting waar de besmetting is aangetroffen. Ook evenhoevigen op dergelijke inrichtingen kunnen preventief worden gedood. De EU-Verordening 2020/287 biedt de bevoegde autoriteit de mogelijkheid hiertoe over te gaan.’’
Het toepassen van beschermende vaccinatie (‘’vaccinatie voor het leven’’) als bestrijdingsmaatregel is ‘’een streven’’, aldus het draaiboek. Gevaccineerde dieren kunnen, net als niet-gevaccineerde dieren, hun productieleven voltooien en producten van deze dieren, zoals melk of vlees, kunnen op de markt worden afgezet. Dit is mogelijk binnen de EU, indien onderscheid kan worden gemaakt tussen dieren die gevaccineerd zijn en dieren die besmet zijn met veldvirus, het zogenaamde DIVA principe (differentiating infected from vaccinated animals). De vaccinatiestrategie komt er in grote lijnen op neer dat in een gebied van 2 km rond elke uitbraak alle evenhoevigen op alle inrichtingen worden gevaccineerd.
Het draaiboek geeft geen garantie dat de overheid nooit meer zal overgaan tot het massaal doden en vernietigen van evenhoevigen in geval van een mkz-uitbraak. Ook staan er nog altijd dezelfde, verontrustende artikelen in onze nationale wetgeving, nu in de Wet dieren, artikel 5.3 en 5.4. De minister krijgt daarin de bevoegdheid dieren te doden die verdacht zijn van een besmettelijke ziekte of die een gevaar opleveren voor de verspreiding ervan. In de Wet dieren is ook het regeren per decreet vastgelegd. ‘’Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen die betrekking hebben op acute maatregelen ter preventie of bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen of ziekteverschijnselen of bestuurlijke maatregelen.’’ (Artikel 5.1.4)
Er is kortom weinig reden om een nieuwe uitbraak van mkz met een gerust hart af te wachten. Nog altijd zijn vertegenwoordigers van de melk- en vleeslobby actief in en rond nationale en Europese bestuurslagen, daar waar wetten en regels worden voorbereid en ook daar waar besluiten worden genomen over de uitvoering ervan. Nog altijd bestaan er in Nederland grote concentraties aan vee. De hoeveelheid dieren en vooral de mate waarin de vee-industrie afhankelijk is van export naar landen buiten Europa, zal altijd een stempel drukken op de keuze van bestrijdingsmaatregelen.
En de OIE? Deze internationale organisatie van landen die bepaalt onder welke voorwaarden na een uitbraak van mkz op de wereldmarkt weer een zogeheten ‘’vrij-status’’ kan worden bemachtigd, is weliswaar van naam veranderd, maar niet van beleid. Wanneer een land overgaat tot vaccinatie geldt er, net als in het verleden, een pakket van beperkende maatregelen. In de zogeheten Animal Health Code schrijft de World Organisation of Animal Health (WOAH) na noodvaccinatie een wachttijd van zes tot twaalf maanden voor.
Het enige wat er na vaccinatie tegen mond- en klauwzeer op zit, is de melk en het vlees van gevaccineerde dieren af te zetten op de Europese markt. Daarvoor is wel een apart afzetkanaal nodig en de producten moeten een speciale behandeling ondergaan. Vakblad Boerderij wijdde op 21 januari 2025 na berichten over een besmetting van mond- en klauwzeer in Duitsland, een uitgebreid artikel aan de gevolgen van een mogelijke vaccinatie voor de handel.
‘’De producten van gevaccineerde dieren zijn veilig voor mens en dier en kunnen veilig worden geconsumeerd. Het is niet aan de orde dat deze producten niet kunnen worden afgezet”, aldus een woordvoerder va het ministerie van LNV. Maar: afnemers kunnen niet worden gedwongen behandeld vlees af te nemen. “Dit zal naar verwachting tot flinke beperkingen leiden”.
Boerderij sprak ook met de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) en de Nederlandse Zuivelorganisatie (NZO). Deze organisaties richten zich voorlopig vooral op preventie en het minimaliseren van risico’s voor insleep of verspreiding van het virus. Op het effect van vaccinatie op de afzet van Nederlands vlees wilde COV niet vooruitlopen.
“Binnen de EU mag het vlees van gevaccineerde dieren wettelijk verhandeld worden. Maar het is de vraag of retailers het vlees ook willen afnemen”, aldus een COV-woordvoerder.
Of zuivelorganisatie NZO voor of tegen noodvaccinatie is, zal van de situatie afhangen, constateerde Boerderij. Een woordvoerder: “Je doet in zijn algemeenheid alles om insleep of verspreiding van het virus te voorkomen, maar je wil ook dat er markt blijft voor producten. Het is niet te voorspellen hoe markten zullen reageren bij een uitbraak of vaccinatie.’’
Over het bestaan van vaccins hoeft niet langer te worden getwist. Er zijn zogeheten gezuiverde mkz-vaccins die samen met een test als DIVA (Differentiating Infected from Vaccinated Animals) vaccin gebruikt kunnen worden (Bron: GD). Maar of dat ook echt gebeurt? Voor het antwoord op deze vraag zijn we nog altijd afhankelijk van handelspartners, bedrijven elders in Europa en andere werelddelen, die Nederlandse producten afnemen. Want daar is Nederland nog steeds goed in: veel exporteren, heel veel exporteren. Als we kijken naar hoeveel moeite het kost om over te gaan tot vaccinatie van pluimvee tegen vogelgriep – terwijl daar alle aanleiding toe is – dan kunnen de verwachtingen onmogelijk hooggespannen zijn.
Hoewel, verrassingen zijn niet uitgesloten. Er kan zich zo maar een nieuwe werkelijkheid aandienen. Zo moeten we niet verbaasd zijn als geopolitieke ontwikkelingen de hoogproductieve Nederlandse zuivel-, eier- en vleesproductie (huidige exportwaarde 25 miljard) over enige tijd zullen dwingen om zich volledig te beperken tot het bijdragen aan de voedselzekerheid in Europa. Nu gaan er nog ei- en zuivelproducten, broedeieren en varkensvlees richting Verenigde Staten, Afrika, het Midden-Oosten, Azië. Van handelsbeperkingen opgelegd door landen buiten Europa zijn we dan af.
Wat in elk geval zeker is: boeren en andere dierhouders kunnen rekenen op meer steun van het publiek. In de opvattingen over onze relatie met dieren is de afgelopen decennia het nodige veranderd. De roep om de bescherming van dieren zal harder klinken, zodra het tot brede lagen in de samenleving doordringt wat tot op de dag van vandaag de gevolgen zijn van het non-vaccinatiebeleid. Een sector die daar geen gehoor aan geeft, kan rekenen op fikse imagoschade. Uiteindelijk zal de wettelijke basis onder het doden van dieren in geval van een besmettelijke dierziekte moeten worden weggenomen en vervangen door een toelating van preventieve vaccinatie. Wellicht durft de politiek dit aan zodra daarvoor voldoende draagvlak bestaat.
Een kwart eeuw later. Hét platteland is verdwenen. Er is een agrarisch industrieterrein voor in de plaats gekomen. Daar bestaan, op afstand van grote boerenbedrijven, nog kleine gemeenschappen waarbinnen de saamhorigheid kan overleven. Dorpelingen organiseren er talrijke activiteiten. Oorspronkelijke bewoners en nieuwkomers houden er vitale sociale verbanden in stand.
Er zijn boeren die de lijntjes naar die gemeenschappen vasthouden, maar in de hoogproductieve gebieden van het agro-industriële complex ontstonden de afgelopen 25 jaar toch vooral gescheiden werelden. De fragmentatie is niet alleen ruimtelijk en sociaal, maar ook ecologisch van aard. In de gecreëerde monoculturen doet zich een aanhoudend verlies van biodiversiteit voor. Er is een groot gebrek aan goed functionerende ecosystemen ontstaan.
Op het voormalige platteland voltrekt zich een ramp die omvangrijker en ingrijpender is dan een uitbraak van mond- en klauwzeer, varkenspest of vogelgriep. Het gras en andere gewassen groeien er op een zwaar bemeste en verontreinigde teeltlaag. Een groot deel van het vee staat op stal. Als de landbouwmachines ’s avonds zwijgen, heerst er een stilte die me doet terugdenken aan mei 2001, toen al het vee uit de driehoek was verdwenen en het enige tijd duurde voordat er weer nieuwe dieren kwamen. Wanneer ik nu in de verte een koe hoor loeien, weet ik dat ze niet achter in de wei om haar soortgenoten roept, maar dat ze in de stal staat en het kalf mist dat van haar is weggenomen.
Mijn hart maakt een vreugdesprong bij het geluid van een grutto die in het vroege voorjaar ons land aan doet. Maar wees eerlijk: elk jaar weer brengt een nieuwe lente ons minder nieuwe geluiden. Ondanks alle subsidies lukt het niet om de populatie weidevogels weer te doen toenemen. En de weide- en akkervogels zijn niet de enigen die het hier voor gezien houden. 85% van de oorspronkelijke plant- en diersoorten hebben het al opgegeven.
Ten tijde van de mkz-uitbraken werd net als bij de uitbraken van de gekke koeienziekte (BSE), varkenspest en vogelgriep veelvuldig de vinger op de zere plek gelegd: het moet anders, het moet minder. Ons land, ons vee, onze biotopen zijn te kwetsbaar geworden. Willen we uitbraken van dierziekten voorkomen en mocht er toch een ziekte uitbreken deze beter beheersbaar houden, dan moeten we iets doen aan het enorme aantal dieren. Maar hoe krachtig deze geluiden ook klonken en klinken, hoeveel rapporten er ook over verschenen, de agro-industrie slaagt er tot dusver in een herstructurering van de veehouderij en een drastische krimp af te wenden.
De producenten en exporteurs van vlees en melk zijn hardleers. Begin 21ste eeuw moesten er decreten aan te pas komen om hun lucratieve business veilig te stellen, zo verrast als men was door de eigen nalatigheid, de gevolgen van het non-vaccinatiebeleid. Dat het om een ingecalculeerd risico ging, was men misschien niet eens voor het gemak vergeten. Niemand had begin jaren negentig van de vorige eeuw de moeite genomen de calculaties van de economen van Wageningen Universiteit te checken. Toen bleek dat hun rekensom niet klopte, dat de kosten van een uitbraak de pan uitrezen, was het te laat.
Tegenwoordig zijn het vooral de producenten en exporteurs in de pluimveesector die hun positie op de wereldmarkt boven alles stellen. Terwijl het hoogpathogene vogelgriepvirus geruime tijd rondwaart en onder steeds meer soorten slachtoffers maakt, wordt de vaccinatie van pluimvee telkens weer uitgesteld, met alle risico’s voor de dier- en volksgezondheid van dien. Wereldwijd lopen de aantallen slachtoffers onder gehouden en wilde dieren inmiddels in de honderden miljoenen. Het vergassen van commercieel gehouden kippen is in Nederland routine geworden.
Er is een samenhang tussen de dominante aanwezigheid van een hyperintensieve veehouderij, het verlies van biodiversiteit en het ontstaan van dierziekten. Hoe dat verband precies in elkaar steekt, in hoeverre er sprake is van een oorzaak en gevolg, is al geruime tijd onderwerp van onderzoek. Dat we moeten werken aan het beperken van de schade aan natuur en landschap en het herstel van ecosystemen, daarover bestaat inmiddels brede consensus. Of dat kans van slagen heeft, wordt betwijfeld.
Gelukkig zijn er nog wetenschappers en drijvende krachten, zoals emeritus hoogleraar ecologie Louise Vet, die de moed niet hebben opgegeven. Als voorzitter van de stichting Deltaplan Biodiversiteitsherstel heeft ze mede de aanzet gegeven tot het Aanvalsplan Landschapselementen. ‘’Herstel is altijd mogelijk’’, zegt zij in een prachtig interview met Re-generation. De natuur is al 3,8 miljard jaar bezig met de beste oplossingen te komen, aldus Vet. Boeren zijn een deel van de oplossing, stelt ze. Maar dan zonder of met veel minder intensieve veehouderij. Daar is geen ruimte meer voor.
Hoopgevend zijn de initiatieven van community supported agriculture, zoals de gemeenschapstuin bij mij in de buurt, een paar dorpen verderop. Daar telen ze groente zonder kunstmest, met gebruikmaking van zelf gewonnen zaden. De telers noemen zich bodemboeren, ze werken aan een levende, gezonde grond vol biodiversiteit. Dit versterkt niet alleen het ecosysteem, maar levert ook groenten op met een rijkere smaak en grotere voedingswaarde. En uiteindelijk creëert dit type landbouw nieuwe sociale verbanden. Louise Vet:
‘’Met alle ecologische kennis die we inmiddels hebben opgebouwd, ben ik optimistisch dat het lukt om via regeneratieve landbouw het tij te keren.”
Ik sluit af met een klein berichtje uit de Goudse Post. Het is van recente datum en heeft niets met de mkz-crisis van 2001 te maken. Het duidt wel op de opkomst van een beweging die niet genoeg op waarde kan worden geschat. Die beweging zal – mits deze zich breed verspreidt van lokaal naar landelijk – een nieuwe uitbraak van mond- en klauwzeer of welke besmettelijke dierziekte dan ook niet kunnen voorkomen, maar wel tot een andere aanpak kunnen leiden. Het berichtje luidt als volgt:
‘’In Gouda krijgen dieren en natuur voortaan standaard een stem bij inwonersparticipatie. De gemeenteraad heeft dit onlangs besloten, op initiatief van de Partij voor de Dieren. Gouda is de eerste gemeente in Nederland die de belangen van de natuur vastlegt in besluiten die de gemeente neemt.’’
Geen wrok, geen behoefte aan vergelding. Ook niet de behoefte om iets lelijks te schrijven. Zeker niet over onze democratische rechtsorde. We moeten wel kritisch blijven. Desnoods oude koeien uit de sloot halen. Zeker als ze iets te vertellen hebben over onze instituties, over macht en machthebbers. Over de alomtegenwoordige lobby van het agro-industriële complex, over de veel te omvangrijke vee-industrie. Namen noemen – voor zover relevant – is daarbij soms onvermijdelijk, zeker in geval van een publieke gebeurtenis.
Ik heb deze terugblik op de Nederlandse mond- en klauwzeercrisis geschreven, omdat die niet eerder is bekeken vanuit de optiek van een democratisch tekort. Aan bronnen geen gebrek. Daaruit blijkt overduidelijk dat het afleggen van verantwoording zwaar onder de maat was. Fundamentele vragen over de wijze waarop belangrijke besluiten tot stand kwamen, bleven op cruciale momenten onbeantwoord. Daardoor kon één belang, met gebruikmaking van gemankeerde en dubieuze argumenten, op belangrijke momenten de doorslag geven.
De gevolgen waren desastreus: de mond- en klauwzeercrisis leidde tot de dood van 270.000 koeien en kalveren, varkens, schapen, geiten en overige evenhoevigen. Van die 270.000 dieren waren er bij wijze van noodmaatregel ruim 200.000 gevaccineerd en daarna gedood. Een aantal dat op geen enkele wijze in verhouding stond tot de hoeveelheid dieren op besmette bedrijven: 4.327.
Niet voor niets rees al snel de twijfel: mocht dat wel, dieren die niets mankeerden zo massaal doden en vernietigen? De twijfel sloeg helemaal toe vanaf het moment dat het virus vrijwel onder controle was en er nog tienduizenden gezonde runderen werden vernietigd. Toen ging het niet langer om het bestrijden van een dierziekte, maar om het voorkomen van een mogelijke landbouwcrisis.
Dat de overheid besloot tot een slachtpartij van een dergelijke omvang, had alles te maken met de enorme aantallen dieren die door de op export gerichte vee-industrie werden gehouden. Die vee-industrie wilde zo snel mogelijk verder en dat kon alleen als het land weer een mkz-vrije status kreeg.
Het zou goed zijn als bedrijfsleven en overheid, inclusief het parlement, 25 jaar na dato het democratisch tekort onder ogen zien, fundamentele vragen alsnog beantwoorden en wetgeving aanpassen. Niet in de laatste plaats omdat anders een herhaling van wat zich heeft voorgedaan, allerminst is uitgesloten.
Een terugblik op de Nederlandse mond- en klauwzeercrisis in het vroege voorjaar van 2001. Een periode waarin de democratische rechtsorde binnen de kortste keren op ‘’uit’’ stond. Maatregelen leidden tot de dood van ruim 200.000 gevaccineerde dieren. Een aantal dat op geen enkele wijze in verhouding stond tot de hoeveelheid besmette dieren. Al snel rees de twijfel: mocht dat wel? Dieren zo massaal doden en vernietigen, niet om een dierziektecrisis te bestrijden, maar om een landbouwcrisis te voorkomen? In dit boek beschrijft Jinke Hesterman hoe één belang, met gebruikmaking van gemankeerde en dubieuze argumenten, de doorslag kon geven.
De verbazing van destijds, over duistere bevelen, het regeren per decreet.
“Vanaf Brusselse burelen lanceert een anoniem Permanent Veterinair Comité, waarvoor wij nooit democratisch hebben gekozen, het duistere bevel dat wij grote aantallen op zich gezonde dieren moeten doden. En wij volgen dat bevel nog op ook, blijkbaar in de lamleggende overtuiging dat verzet tegen zo’n bureaucratische kolos nauwelijks zin heeft. (…) Ik begrijp nog steeds niet op grond van welke juridische wet we verplicht zijn zo te handelen. Om over een zedelijke wet nog maar niet te spreken.” (Jan Terlouw, 29 maart 2001)
De kennis van nu, over het democratisch tekort en de alomtegenwoordige lobby van het agro-industriële complex.
”Enorme aantallen dieren zijn gedood, niet om een ziekte te bestrijden, maar om de export van vlees en melk veilig te stellen. Het zou goed zijn als bedrijfsleven en overheid, inclusief het parlement, 25 jaar na dato het democratisch tekort onder ogen zien, fundamentele vragen alsnog beantwoorden, en wetgeving aanpassen. Niet in de laatste plaats omdat anders een herhaling van wat zich heeft voorgedaan, allerminst is uitgesloten” (Jinke Hesterman, 21 maart 2026)
‘’Voordat je beslissingen neemt, twijfel je natuurlijk. Van de twintig beslissingen die je neemt zijn er altijd een of twee niet goed, of gedeeltelijk goed. Maar als je niet bereid bent om dat te accepteren, moet je geen beleidsmaker worden. Je zou volstrekt gebiologeerd worden door je feilen. Als ik een beslissing genomen heb, twijfel ik niet meer. Ik probeer wel uit te stralen dat ik het naar beste vermogen heb gedaan. En ik ben altijd bereid om te erkennen dat ik het verkeerde heb gedaan.'' (NRC, 24 maart 2001)
,Als we de dieren niet doden, worden nog veel meer veehouders de dupe, want dan komt de export langdurig in gevaar. We kunnen het individuele belang niet opofferen voor de lange termijn.'' (NRC, 17 april 2001)
‘’Het besluit met betrekking tot Nederland voorziet in "onderdrukkende vaccinatie". Dit houdt in dat dieren worden gevaccineerd, in afwachting van hun preventieve slachting en vernietiging, om verdere verspreiding van het virus te voorkomen. Deze vaccinatiemethode is nuttig wanneer er onvoldoende capaciteit is om deze slachting en vernietiging snel genoeg uit te voeren om verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Nederland bevindt zich in deze ongelukkige situatie en de Commissie en de lidstaten hebben begrip voor deze situatie. Het is dan ook volkomen terecht om vaccinatie onder deze omstandigheden toe te staan. Omdat de betreffende dieren echter gedood en afgemaakt zullen worden, brengt dit het aloude Nederlandse beleid van non-vaccinatie niet in gevaar.’’ (Verklaring van Byrne in het Europees Parlement, 3 april 2001)
De auteur van dit boek is Jinke Hesterman, journalist, twintig jaar lang hoofdredacteur van het landelijk kennisnetwerk Levende Have en auteur van diverse boeken over dieren en dierenwelzijn. Direct na de mond- en klauwzeercrisis van 2001 schreef ze voor kinderen en volwassenen het verhaal De terugkeer van Willy en René. De meest recente publicaties zijn Dierenwelzijn, de wet en natuurlijk gedrag (2021), Dierenwelzijn, de wet en onze democratie (2023) en Naar een dierwaardige samenleving (2024). Levende Have hield in 2024 op te bestaan.
Je kan de inhoud van deze pagina niet kopiëren